Ruzie

Je ziet steeds vaker grootouders met een kleinkind op stap. Ja, meestal is het er één – het moet wel een beetje aardig blijven voor opa en oma. Hun positie is toch al tamelijk precair. Wat te doen als het kind een onhandelbare etter is die de hele tram bij elkaar schreeuwt? Een grootouder wil verwennen, niet straffen.

Ik zag het laatst ook weer aan de grootouders die met hun kleinzoontje de trein naar een vakantiepark namen. Ze gingen goed met hem om, maar toch anders dan zijn ouders zouden doen: gedienstiger, welwillender, meer gericht op het voorkomen van controverse.

Zó wil je het ook als kleinkind. Ik zal nooit mijn ontreddering vergeten toen mijn oma zich eens enorm boos op me maakte. Dat kon niet, het was een te grote breuk met al die lieve woordjes en cadeautjes van daarvoor. Tot boosheid waren alleen mijn eigen ouders gemachtigd.

Het jongetje in de trein was een jaar of vijf en nog helemaal gericht op het verkennen van de wereld, in dit geval de kofferruimte tussen de banken. ,,Kom er nu maar uit, Martijn, ik heb een banaantje'', zei oma.

Martijn begon daarna tegen de krant te petsen die opa al een kwartiertje tamelijk tevergeefs probeerde te lezen. Opa deed alsof hij het reuze vermakelijk vond, maar ik zag zijn glimlach verharden. Hij overwoog een tactvolle terechtwijzing, maar het was al niet meer nodig, want Martijn kreeg een interessante inval.

,,Eerst woonden we toch bij papa, hè?'' vroeg hij.

,,Ja'', zei oma, terwijl haar man weer veilig achter zijn krant kroop. Het was nog een gewone krant, een krant als een schuilplaats – niet zo'n zuinige tabloid, dat kleinkind onder de kranten.

Martijn vond het antwoord wat kort. ,,Toen papa nog bij ons woonde, hadden ze geen ruzie...'' probeerde hij.

,,Nee'', zei oma.

Ze wees naar een meertje waar we langsraasden, maar Martijn besefte intuïtief dat hij de rest van zijn leven nog meertjes genoeg zou zien. Misschien wel meer meertjes dan vaders. ,,Ik wou dat papa weer bij ons woonde'', zei hij.

,,Ja, maar soms kan dat niet'', zei oma, ,,grote mensen hebben wel eens ruzie.''

,,Eerst hadden ze nog geen ruzie.''

,,Nee, maar ze kregen later wel een beetje ruzie. En daarom ging mama bij opa en oma wonen. En nu heeft mama een eigen flatje.''

,,Ik maak geen ruzie.''

,,Nee, maar jij bent ook een kind.''

,,Ik heb één keer ruzie gehad met Doortje, en ook met opa.''

Oma maakte een wegwerpgebaar. ,,Dat is zo, maar opa blijft niet boos.''

Opa bleef bovendien een toegewijde krantenlezer. Aan hém zal het niet hebben gelegen, als de kranten collectief ten ondergaan.

Het onderwerp was afgehandeld, hoewel Martijn er ongetwijfeld nog vaak op zou terugkomen, ook als opa en oma al lang niet meer leefden. ,,Oma, zullen we papegaaitje doen?'' vroeg hij.

Ze plantten hun handpalmen tegen elkaar en Martijn begon te zingen: ,,Papegaaitje leef je nog, ieja, deeja...''