Richting 5 miljoen

Het zijn er nu 2,5 miljoen, en in 2038 zullen het er 4,8 miljoen zijn. Het aantal ontvangers van een uitkering krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW) loopt de komende jaren snel op, zo meldde de uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekeringsbank gisteren. Hoewel bevolkingsprognoses minder stevig zijn dan ze lijken, kan met voldoende zekerheid worden gesteld dat de groep Nederlanders van boven de 65 jaar fors zal toenemen. Dat geldt zowel absoluut als proportioneel. Het aantal 65-plussers drukt straks zwaarder dan ooit op het aantal werkenden, waardoor de vraag onontkoombaar is hoe het stelsel van de oudedagsvoorziening betaalbaar kan worden gehouden.

Voorop staat dat er hier geen sprake is van een standaardverdeling tussen haves en have-nots. Iedereen wordt, bij leven en welzijn, oud en overschrijdt onontkoombaar de leeftijdsgrens. Er is anders dan bij werkloosheid, ziekte of maatschappelijke uitval geen sprake van toeval, ongeluk of keuzes waar het de gang naar de ouderdom betreft. Of in het geval van de oudedagsvoorziening in strikte zin van `solidariteit' tussen jong en oud gesproken moet worden is de vraag. Wie nu deel uitmaakt van de werkende bevolking zal per definitie gebruik gaan maken van de AOW, of welke naam de voorziening in de toekomst krijgen mag. Hij of zij heeft dus ook per definitie belang bij een goede, efficiënte en rechtvaardige regeling.

Een houdbare financiering van de AOW zal nodig zijn. Dat kan zonder de regeling zelf structureel te veranderen. Om te beginnen zou het draagvlak vergroot moeten worden door het aantal werkenden die jonger zijn dan 65 te vergroten – en dus het aantal premiebetalers. Maar dat zal niet voldoende zijn. De Sociale Verzekeringsbank onderstreept dat de levensverwachting gedurende de tijd dat de AOW werkzaam is, met anderhalf jaar is toegenomen voor mannen, en met bijna vijf jaar voor vrouwen. Het is bekend dat mensen vitaler dan vroeger de leeftijd van 65 bereiken. Een graduele verhoging van de leeftijdsgrens van de AOW in samenhang met de levensverwachting, zoals in Zweden gebeurt, is niet alleen noodzakelijk om de regeling betaalbaar te houden, maar ook mogelijk.

Dat geldt ook voor het laten betalen van AOW-premies, apart of via de belastingheffing, door ouderen zelf. In de maatschappij van onder de 65 jaar is een progressieve heffing, die inkomensverschillen matigt, volkomen normaal. Het blijft bijzonder dat dit in de maatschappij van boven de 65 kennelijk niet zo hoeft te zijn. Naarmate de groep van boven de 65 een groter deel van de samenleving uitmaakt, wordt dit verschil pregnanter, en daar mag best eens naar gekeken worden. Een vermogenstoets voor ouderen, een idee dat dit voorjaar kwam bovendrijven, is juist niet te verkiezen. Deze straf voor het opbouwen van een eigen spaarpot voor de oude dag is buiten proportie, vergt een enorm uitvoeringsapparaat en stelt de AOW bovendien in de geest gelijk aan een regeling als de bijstand.

Maatregelen om de oudedagsvoorziening ook in de toekomst betaalbaar te houden zijn mogelijk, zonder deze regeling wezenlijk aan te tasten. Al te moeilijk zou het niet moeten zijn om daarvoor draagvlak te creëren. Al was het maar omdat iedereen er vroeg of laat mee te maken krijgt.