Betaling componisten moet anders

Het oordeel over de bekostiging van composities moet worden overgelaten aan de uitvoerende musici, de concertorganisatie en het publiek, meent Ton Boersma.

Het gaat niet goed met de nieuwe, serieuze gecomponeerde muziek in Nederland. De overheid heeft de plannen van de muzikale vernieuwingsbeweging uit de jaren zeventig voor de financiering van het muziekleven gehonoreerd, maar de belofte dat de concertzalen zouden volstromen is niet waargemaakt. Wie wel eens een concert bezoekt met Nederlandse hedendaagse muziek weet het: reserveren overbodig en zitplaatsen met veel beenruimte en armslag. De speciaal voor nieuwe muziek opgerichte ensembles spelen nauwelijks nog nieuw Nederlands werk en buiten de Randstad is er nog minder te horen. Daar moet een oplossing voor komen. De wijze waarop componeren in Nederland wordt ondersteund staat ter discussie, niet in de laatste plaats bij de componisten zelf. Zo heeft de Componistengroep Amsterdam stof doen opwaaien door het met rijksgeld gefinancierde Fonds voor de Scheppende Toonkunst te betichten van eenzijdige bevoordeling van modernistische stromingen en daarbij het merendeel van de componisten buiten te sluiten. Bovendien is volgens hen het publiek uit de concertzaal verjaagd door het als podiumkunst presenteren van composities die hoogstens van academisch belang zijn.

Overigens twijfelen niet alleen componisten aan doelmatigheid en wijze van functioneren van hun fonds. Hoe dan ook staat één ding vast: de rol van de actuele muziek wordt steeds marginaler. Dat veel Nederlandse componisten nog steeds niet doordrongen zijn van hun almaar toenemende isolement, is voor een deel te wijten aan de manier waarop zij worden betaald. Dat kan anders.

Onvermijdelijk geldt als uitgangspunt daarbij dat `serieuze' muziek in het algemeen niet zonder ondersteuning kan. In het verleden werd die ondersteuning verzorgd door kerk, hof, adel of mecenas. De geldgevers bepaalden het beleid en maakten de selectie, daarin bijgestaan door de vertolkers, die als bij uitstek deskundig werden beschouwd. Beleid en selectie werden pas een probleem vanaf het moment dat de overheid de rol van belangrijkste geldgever ging vervullen. Vooral de selectie van `wie' en `wat' voor ondersteuning in aanmerking moest komen en `wie' of `wat' dus niet, bleek uiterst problematisch.

Op het gebied van de uitvoering is selectie niet moeilijk. Vals is vals en ook verder zijn de maatstaven redelijk te objectiveren. Lastiger is het vraagstuk welke componist voor welk werk subsidie dient te ontvangen bij de verdeling van het subsidiegeld. De kunst van het partituur lezen wordt – zeker bij hedendaagse muziek – eigenlijk alleen door sommige componisten en dirigenten beheerst. In beoordelende commissies verlaten niet-componisten zich dan ook voor een groot deel op het oordeel van ter zake kundige medecommissieleden. Helaas hebben juist componisten, zoals de geschiedenis leert, moeite objectief over het werk van collega's te oordelen. Denk aan het oordeel van Mozart over Clementi en anderen, de Prix de Rome-schandalen in het Parijs van de 19de eeuw en, meer recent, de controverse seriële – niet-seriële muziek. Een betere methode is om het oordeel over de bekostiging van composities over te laten aan de uitvoerende musici, de uitvoerende instantie (zoals de zaal of concertorganisatie) en het publiek. Ook dat oordeel is voor een groot deel subjectief: de uitvoerders zijn vakmatig deskundiger dan het publiek, dat op zijn beurt natuurlijk weer beter weet wat het wil horen. Maar er treedt hoe dan ook wel een objectivering op die recht doet aan nieuwe muziek als podiumkunst. Die bestaat uit de optelsom van beoordelingen door uitvoerders, podium en publiek, waarbij speelbaarheid en aanhoorbaarheid voorop staan.

Het maatschappelijk belang van een bepaalde compositie zal bij deze beoordeling sterker doorklinken, wat vervolgens de positie van de nieuwe muziek als podiumkunst weer aanzienlijk versterkt. Deze nieuwe wijze van selectie voor subsidieverstrekking zou daarom een grote rol kunnen spelen bij het terugbrengen van het publiek naar de concertzaal om hedendaagse muziek te beluisteren. Als basis voor de verdeling van de beschikbare gelden dienen volgens het nieuwe plan drie voorwaarden te worden vervuld:

– Is een musicus bereid het werk uit te voeren?

– Is een instantie bereid de uitvoering te organiseren?

– Is het publiek bereid het werk aan te horen?

Als aan deze voorwaarden wordt voldaan en wanneer afspraken over uitvoering zijn gemaakt, kan gekeken worden naar een financiële vergoeding. Die wordt uitsluitend afhankelijk gemaakt van de hoeveelheid toeluisterend publiek. Zowel de uitvoerenden als de organiserende instantie en de componist ontvangen een vergoeding (in de orde van 0,50 eurocent tot 2 euro) per bezoeker. Het gevolg daarvan is dat componist, uitvoerder en podium voortaan met iets andere ogen naar het publiek zullen kijken, en dat lijkt gezien de huidige malaise geen slechte zaak. Bovendien kan deze nieuwe benadering, waar alle partijen financieel van profiteren, wel eens een ongehoorde impuls zijn voor het spelen van Nederlandse muziek uit heden én verleden.

Op basis van dit voorstel kan het uitvoeren van muziek van Nederlandse componisten uit het heden en verleden worden gestimuleerd. Dat is al eens geprobeerd door toenmalig staatssecretaris Nuis. Dreigen met subsidiekortingen voor orkesten die minder dan 7procent Nederlandse muziek wilden spelen, bleek echter allerminst productief.

Er zijn parallellen met de boekenmarkt. Ook daar wordt de keuze in eerste aanleg gemaakt door een persoon die te vergelijken is met de uitvoerende musicus: de uitgever. De organiserende instantie fungeert daarbij als uitgeversmaatschappij. Het succes wordt bepaald door het publiek, het aantal verkochte exemplaren bepaalt de beloning voor auteur en uitgever. Het reproduceren van literatuur is alleen veel goedkoper dan het uitvoeren van levende muziek. In verband daarmee zal de behoefte aan financiële steun voor de muzieksector altijd omvangrijker zijn. Overigens bestaat er ook bij literatuur een zekere overheidssteun als noodzakelijke aanvulling op en als correctie van de markt. Financiële steun wordt ook wel door de uitgeversmaatschappijen zelf gegeven, ter bevordering van hun naam als kwaliteitsuitgever of uit idealisme.

In het hier voorgestelde systeem blijft wel degelijk een rol weggelegd voor een fonds als dat voor de Scheppende Toonkunst. Die rol zal bestaan uit het verstrekken van kortlopende stipendia voor beginnende componisten als hulp bij het opstarten van hun carrière, flinke stimuleringsprijzen en een zeer beperkt aantal eregelden zoals bij het Fonds voor de Letteren.

Mogelijk valt dit systeem duurder uit dan het bestaande. Toch moet met een betrekkelijk geringe toename van middelen een forse stimulans voor het Nederlandse muziekleven bereikt kunnen worden. Ook volgens de Europese Commissie, die de Europese identiteit expliciet aan cultuur koppelt, is er met de Europese regelgeving in de hand ruimte om de nationale cultuur te stimuleren.

Drs. Ton Boersma was tot voor kort voorzitter van de Amsterdamse Kunstraad, is oud-voorzitter van Muziekuitgeverij Donemus, oud-voorzitter van het SNS-Reaalfonds en regelmatig particulier opdrachtgever aan Nederlandse componisten.