Toverkunsten van een huilebalk

Een overwinning in `zijn' Grote Prijs van Spanje zat er gisteren nooit in. Terwijl hij het haat om tweede te worden. Maar Fernando Alonso is als leider in het WK-klassement van de Formule 1 nu al een held in zijn thuisland.

In 2003 was de toen 21-jarige Fernando Alonso de jongste F1-coureur ooit om een pole position te pakken, op het circuit van Sepang in Maleisië. Enkele maanden later en een jaartje ouder brak hij een nieuw record: de jongste winnaar ooit van een Grote Prijs, deze keer in Hongarije. Een uur na de koers kreeg hij al de Spaanse koning Juan Carlos aan de lijn, met felicitaties.

Maar die wapenfeiten verbleken bij wat de inmiddels 23-jarige Alonso dit seizoen allemaal presteert. In 2001 waren zijn uitschieters wel veelbelovend, maar ze verdwenen onder de teutoonse pletwals van Michael Schumacher. Nu scoorde Alonso in Spanje achter Kimi Raikkonen zijn vijfde podiumplaats in evenveel races, na een derde plaats tijdens de openingswedstrijd in Melbourne en zeges in Maleisië, Bahrein en San Marino. De telefoonrekening van het paleis in Madrid is ernaar.

Alonso staat dankzij zijn vijf podiumplaatsen stevig aan de leiding van het WK-klassement, als eerste Spanjaard ooit. Er wordt nu al volop gespeculeerd: Alonso gaat in september of oktober de geschiedenis in als eerste Spaanse wereldkampioen, en als de jonge uitdager die Schumacher zal onttronen na een recordreeks van zeven wereldtitels. Zijn spectaculaire opmars heeft in zijn thuisland een ware `Alonsomania' ontketend. Het Circuit de Catalunya vlakbij Barcelona was gisteren met 115.000 toeschouwers voor het eerst helemaal uitverkocht. De tribunes zaten volgepakt met supporters, uitgedost in het blauw en geel van Renault, toevallig ook de kleuren van Asturië, de noordelijke regio waar de in Oviedo geboren Alonso zijn jeugdjaren sleet.

Zijn overwinning in de Grote Prijs van San Marino op het circuit van Imola werd op de Spaanse tv gevolgd door bijna tien miljoen landgenoten, een kijkcijferrecord voor een land dat nooit is verwend met grootse F1-coureurs. Iedere zege verdringt de titelstrijd in de Primera Division tussen Barcelona en Real Madrid van de eerste pagina's van veelgelezen sportkranten als AS en Marca. Zijn spectaculaire zege in Imola veertien dagen geleden, waar hij Schumacher rondenlang achter zich hield, inspireerde de krantenmakers tot koppen als `Alonshow' en `Schumi, volg me dan'.

Nochtans was het niet vanzelfsprekend dat Alonso het ooit tot F1-coureur zou schoppen. Als kind was hij vooral geboeid door de vele goochelshows op de televisie. Daar kon hij uren naar staren. Een beeldschone vrouw laten verdwijnen in een kist en die dan heerlijk doormidden zagen, zonder blijvende schade uiteraard, het is nog steeds een van de fascinaties van Alonso. Hij kan zelf trouwens een aardig eindje overweg met een kaartenboek. Tijdens een rustpauze vermaakt hij de hele Renault-familie vaak met weer een nieuwe truc, maar het zijn toch vooral zijn toverkunsten in de bolide die tot de verbeelding spreken.

Andere passies zijn wielrennen en fotografie. Als tiener was hij in de ban van Miguel Indurain, de vijfvoudige Tour-winnaar. Nu is het zijn grote wens om eens aan tafel aan te schuiven bij Lance Armstrong. En in zijn donkere kamer komt Alonso naar eigen zeggen volledig tot rust. De paddock inspireert hem niet tot mooie beelden, hij is meer het type dat geniet van een zwart-wit-afdruk van een ondergaande zon in de Middellandse Zee.

Hij kwam anders jong genoeg in aanraking met het autoracen. Amper drie jaar werd hij door vader Luis in een kart gedropt, die papa in elkaar had geknutseld met een motor van een afgedankt brommertje. Het wagentje was eigenlijk voor zijn oudere zusje bedoeld, de piepkleine Fernando kon met zijn beentjes niet eens bij de pedalen, maar hij kreeg de smaak te pakken.

Amper twaalf werd hij al Spaans kampioen kartracen bij de junioren, drie jaar later voegde hij daar een wereldtitel aan toe. Later kwamen er Spaanse titels in het kart, werd hij vice-Europees kampioen in dezelfde discipline, Europees kampioen in de Formule Nissan en in 2000 werd hij vierde tijdens zijn eerste seizoen in de Formule 3000. Zijn belangrijkste uitdager toen was eveneens een debutant, uit Finland. Met Kimi Raikkonen vocht hij wekenlang bikkelharde duels uit. Hoe goed het ook ging op de racebaan, weer thuis had Alonso alle moeite van de wereld om zijn rijbewijs te halen. Volgens de instructeurs had hij de neiging iets te hard te rijden. Het lukte pas toen Alonso achter het stuur van een ietwat tragere familiewagen plaatsnam. Een Renault Mégane.

En toch heeft Fernando Alonso nooit gedroomd van een carrière in de Formule 1. Aan talent ontbrak het zeker niet, aan centen des te meer. Moeder was een huisvrouw, vader was als arbeider aan de slag in de plaatselijke explosievenfabriek. Tenminste, als er werk was. De jonge Fernando bracht zelfs een deel van zijn jeugd door in Italië, omdat zijn vader daar op zoek was naar permanenter en beter betaald werk.

Luis Alonso kon zijn zoon wel de liefde voor het autoracen bijbrengen, maar niet de nodige centen voor een carrière in de peperdure Formule 1. Hulp kwam er van landgenoot Adrian Campos, in de jaren negentig een anoniem coureur bij Minardi. Campos hielp Alonso aan een zitje als testrijder bij zijn oude team. Eigenlijk vond Alonso dat een beetje beneden zijn waarde. Testorders van Minardi werden vrolijk weggewuifd, Alonso wilde gewoon zo snel mogelijk racen. Luisteren was nooit zijn sterkste kant, die koppigheid heeft hij volgens vader Luis van zijn moeder.

Maar Fernando toonde zich wel een zeer stuurvaardige snelheidsduivel, en het statuut van testpiloot werd al snel verruild voor een volwaardig statuut bij Minardi. Met de traagste wagen uit het F1-kamp kon hij tot zijn grote frustratie geen punten scoren. Zoals alle grote kampioenen heeft hij een hekel aan verliezen. In de Formule 3000 stond hij zelfs even bekend als de huilebalk, omdat er telkens traantjes vloeiden als hij het podium niet haalde.

Zijn rijprestraties bij Minardi bleven niet onopgemerkt. Alonso koppelt branie aan stuurvaardigheid, en heeft een onverzadigbare overwinningsdrang. De Italiaanse topman van Renault, Flavio Briatore, haalde hem naar de Franse renstal. In zijn eerste echte seizoen liet hij zich al opmerken met de pole in Sepang en de zege in Boedapest, vorig jaar eindigde hij vierde in de totaalstand. Dat hij nu al de belangrijkste uitdager is geworden van Schumacher, is voor iedereen, behalve voor Fernando zelf, een verrassing.

Want aan zelfvertrouwen heeft het Alonso nooit ontbroken. Op persconferenties antwoordt hij nog beleefd maar afgemeten. In minder officiële ontmoetingen kan hij zich een tikkeltje verwaand, zelfs onaangenaam opstellen. Van de Spaanse pers, die hem bejubelt, heeft hij desondanks geen hoge pet op. Ze vinden het volgens hem belangrijker te vragen naar zijn vriendinnetjes dan naar zijn sportieve prestaties. Alonso is dan ook niet vaak meer te zien in Spanje, en als hij er is, maakt hij er een sport van om zich zo goed mogelijk te vermommen voor de paperazzi. Doorgaans verblijft hij in het Engelse Oxford, vlakbij het Sillicon Valley van de F1-sport, waar ook Renault een vestiging heeft.

Aan geld heeft Fernando ondertussen niet langer gebrek. Hij verdient ongeveer twaalf miljoen euro per jaar, dankzij lucratieve bijbaantjes als uithangbord voor een bekend horlogemerk. Daarmee is hij na de Spaanse NBA-vedette Pau Gasol de best verdienende Spaanse sporter. Maar nummer twee, daar heeft Fernando Alonso geen zin in. En dat wil hij dit jaar bewijzen.