Rwandezen voor Belgische rechter wegens genocide

In het Hof van Assisen van Brussel moeten vandaag twee Rwandezen voor de rechter verschijnen omdat ze zijn beschuldigd van betrokkenheid bij de volkerenmoord in hun land in 1994.

Het proces is opmerkelijk omdat een Belgische rechtbank zich uitspreekt over buitenlanders die zijn beschuldigd van misdaden die niet in België zijn gepleegd. De vervolging is mogelijk door de zogenaamde `genocidewet'. Die Belgische wet uit 1993 bepaalt dat rechtbanken bevoegd zijn om inbreuken op de Internationale Conventies van Genève van 1949 te vervolgen, zoals misdaden tegen de menselijkheid en genocide. Het maakt daarbij niet uit waar de misdaden zijn gepleegd en wat de nationaliteit is van de daders.

Het is pas de tweede keer dat de toepassing van de wet tot een proces leidt. Bij een gelijkaardig proces in juni 2001 werden vier Rwandezen schuldig bevonden, onder wie twee nonnen. Ze werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van twaalf tot twintig jaar.

In 2003 moest de Belgische regering het universele karakter van de wet inperken onder druk van de Verenigde Staten. Klachten tegen onderdanen van landen waarmee België via de NAVO of via Europese conventies multilaterale verdragen heeft, waren vanaf dat moment niet meer ontvankelijk. Klachten op basis van de genocidewet werden bovendien alleen nog mogelijk als de vermoedelijke dader de Belgische nationaliteit heeft of in België verblijft. De twee halfbroers die nu voor de rechter verschijnen, waren in België op het ogenblik van hun arrestatie.

De openbaar aanklager beschuldigt de twee ervan extremistische Hutu-milities te hebben geholpen toen die in april 1994 met machetes ongeveer 50.000 mensen vermoordden in twee weken. Etienne Nzabonimana en Samuel Ndashyikirwa zouden de milities onder andere hebben voorzien van trucks. Ze zouden ook bij verschillende aanvallen aanwezig zijn geweest. Een volksjury zal bepalen of de verdachten schuldig zijn. Er worden 180 getuigen gehoord.