Politie en OM moeten pers meer vrijheid gunnen

De politie houdt de pers meer buiten de deur. Het gevolg: veel voorlichting maar weinig informatie. De burger verdient beter, vindt Henri Beunders.

`U vroeg misschien wel niks, maar toch geven wij daar geen antwoord op.' Met deze woorden gaf zo'n 15 jaar geleden een Wereldbolletje-cartoon in deze krant commentaar op de uiterst magere voorlichting van de politie na een paar bomontploffingen. Die tijd is voorbij. Nu zou de politiewoordvoerder zeggen: ,,Leest u ons persbericht maar, we hebben het u al gemaild.'' De echte politieverslaggever die zo'n persbericht aangrijpt om nadere informatie te verkrijgen, krijgt vaak een exacte herhaling te horen van de tekst van het persbericht.

Een van de gevolgen van de professionalisering én digitalisering van de voorlichting van de politie, en het openbaar ministerie, is het wegvallen van het rechtstreekse contact tussen woordvoerder en journalist. De dagelijkse persconferentie, het achtergrondgesprek en de dienstverlening bij het vinden van relevante stukken zijn bij veel politiekorpsen tot een minimum teruggebracht. Uit de studie Politie en Media. Feiten, Fictie en Imagopolitiek blijkt dat de politie reden heeft om trots te zijn op de resultaten van restrictief en gericht voorlichtingsbeleid. Inhoudsanalyse van twee landelijke kranten over een heel jaar laat namelijk zien dat de toon van de meerderheid van de berichten positief is. Ook blijkt, uit ruwweg de helft van de berichten, dat de politie de (hoofd-)bron van het bericht is.

Is dit resultaat wel zo positief als het klinkt? De verhouding tussen politie en `de media' is er de afgelopen jaren niet beter op geworden. Een enquète onder politievoorlichters laat zien dat zij geen hoge pet op hebben van de kwaliteit van de meeste journalisten. Tegelijkertijd levert een rondgang langs ervaren politieverslaggevers een beeld op van toenemende frustratie over de belemmeringen van hun werk door de politievoorlichters, en nog meer door het OM, dat bij opsporing en vervolging de regie in handen heeft genomen op het punt van de voorlichting. Sommige politiewoordvoerders delen hun frustratie. Zij zeggen ook liever meer te willen vertellen, maar dat het OM dit verbiedt, meestal met een beroep op de regelgeving over de privacy.

Wat zijn de gevolgen hiervan in politieke zin: voor de burgers en de samenleving als geheel? Diepgaand onderzoek naar wat de burgers vinden van de politie en haar taakuitoefening, en naar hun behoefte aan informatie hierover, ontbreekt helaas nog. De overgrote meerderheid van de ingezonden brieven in de onderzochte kranten is ronduit negatief over de politie, zeker over haar prioriteitstelling.

De vraag welke informatie openbaar toegankelijk behoort te zijn, en welke informatie de burger via de media ook behoort te krijgen over de taakuitoefening door de overheid, is nog moeilijker precies te beantwoorden. `Zo veel mogelijk' is makkelijk gezegd, maar kan ook tot afstomping leiden.

Feit is echter dat veel journalisten klagen over het gebrek aan medewerking, ook als het om de simpelste verzoeken gaat. Het prestatiecontract inzien? ,,Dat gaat zo maar niet.'' De stukken van een afgedane rechtszaak inzien? ,,Helaas.'' Het zou een onderzoek waard zijn om een lijst op te stellen – en dit geldt niet alleen voor de politie – van al die dingen die de burgers niet te weten komen of mogen komen van de overheid. Hierin schuilt het verschil met bijvoorbeeld Amerika. Daar is, net als hier, natuurlijk ook altijd een strijd aan de gang geweest tussen overheid en media. Overheidsinstellingen en media hebben soms tegengestelde belangen. Maar in de VS houden de media zich niet zozeer bezig met de vraag of iets wel wordt onderzocht of hoe het ermee staat – die informatie wordt vrij gegeven – maar met de vraag of de politie of het OM het onderzoek degelijk uitvoert.

Om de kwaliteit van de uitoefening van overheidstaken te kunnen controleren, moet de journalist wel beschikken over relevante gegevens, én over kennis van zaken om deze te beoordelen. Om de juridische kennis te vergroten, biedt het OM journalisten gratis cursussen aan. De politie doet dit helaas niet. En hun eigen werkgevers geven journalisten steeds minder tijd om zich ergens in te verdiepen. ,,Waar is de rechtbankverslaggever gebleven?'', zo vroeg ombudsman Piet Hagen zich onlangs terecht af in deze krant. Voor de politieverslaggever kan hij zich binnenkort hetzelfde afvragen. Zo staat in het business plan van de nieuwe Randstadkrant (AD+regiokranten) dat er voor specialisten geen plaats zal zijn, alleen voor `algemene verslaggevers'.

Dé media bestaan niet, en dé politie bestaat evenmin. Want net zoals verschillende media verschillende kwaliteit en doelstellingen nastreven, zo houden ook de 25 politiekorpsen er verschillende opvattingen op na over de pers- en publieksvoorlichting. Maar de trend is overal hetzelfde: meer centralisering, meer public relations en directe benadering van de burgerij zelf. En de communicatie met de journalisten? Liefst digitaal.

De rollen van de voorlichter en de journalist zijn in de afgelopen 15 jaar bijna omgekeerd geworden. Daarvoor was, zeggen velen, de onderlinge relatie beter, men respecteerde elkaar meer. Men had elkaar nodig. Daarna is de rot erin gekomen. Journalisten begonnen voorlichters af te doen als `wasmiddelenverkopers'. De voorlichters hebben dit, zo blijkt, als kwetsend ervaren, en terecht. Ze probeerden voortaan zo veel mogelijk `het journaille' te mijden. Of zij probeerden, gedwongen ook door de slechte pers ten tijde van die eindeloze rellen rond de openbare orde en de IRT-affaire, via andere media dan de pers het beeld op te poetsen.

De `macht' van de politie – binnen de constellatie met OM, burgemeester en `politiek Den Haag' – lijkt verminderd. Het medialandschap en de wereld van de communicatiemiddelen (internet, gsm) is drastisch veranderd sinds begin jaren negentig. Naast de genoemde rolverwisseling tussen voorlichter en journalist is er een schaarbeweging waar te nemen tussen pers en televisie: minder pers, tekst en feit, meer televisie, beeld en mening.

Deze ontwikkelingen dragen bij aan het ontstaan van een tijdperk waarin `crises' en mediaspektakels elkaar steeds sneller opvolgen. De bij vlagen buitensporige media-aandacht voor bepaalde zaken wordt graag alleen `de vercommercialiseerde media' in de schoenen geschoven. Maar die buitensporige aandacht kan ook worden beschouwd als een van de boemerangeffecten van de huidige dominantie door politie (en OM) over de journalistiek in de reguliere persvoorlichting.

En de burger? Hoe staat deze tegenover de informatievoorziening van en over de overheidsinstellingen, zoals politie en OM? Nader onderzoek moet dit uitwijzen. Het algemene imago van de politie blijkt goed. Maar duidelijk is nu ook dat de toenemende imagopolitiek van de politie ook negatieve kanten heeft. Politie en emotie zijn welhaast synoniem, omdat zaken als veiligheid, gevaar en orde iedereen emotioneel raken. De betrokkenheid bij de politie is sterk toegenomen, maar de incidentele boosheid ook. De balans tussen feiten, context en emotie lijkt verloren.

Beter en gevarieerder geïnformeerde burgers zijn minder vatbaar voor opwellingen van boosheid. De verstoorde balans kan alleen worden hersteld als politie en OM structureel openheid en dienstverlening jegens de media hoger in het vaandel voeren. En als meer media zich ontworstelen aan het niveau van doorgeefluik en de onderzoekstaak weer serieus ter hand nemen.

Henri Beunders is hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur aan de Erasmus Universiteit. Vandaag presenteert hij met prof. E.R. Muller de studie `Politie en Media. Feiten, Fictie en Imagopolitiek'.