Nederland op scherp

Het is een allegaartje geworden, het boek Nederland op scherp: buitenlandse beschouwingen over een stuurloos land. Misschien was het de bedoeling van samensteller Pieter van Os, redacteur van De Groene Amsterdammer, misschien was het zijn opzet om aan te geven hoe warrig en wazig men in het buitenland denkt over het Nederland van de laatste jaren, maar dan moet je het boek niet Nederland op scherp noemen.

Toch heb ik het in één ruk uitgelezen. Dat kan aan mij liggen. Ik voel me steeds meer buitenlander, ik betrap mezelf erop dat ik de binnenlandpagina's van de krant met dezelfde afstand lees als de buitenlandse, alsof ik hier niet al een kwart eeuw woon.

De Nederlandse gemoedsgesteldheid is tamelijk onherkenbaar geworden, ik merk zelfs dat ik over een heleboel dingen geen moreel oordeel meer heb geen oordeel hebben, dat is pas een kenmerk van vervreemding. Van rare vreemdelingen zeggen we: zo zijn die lui, laat ze. Nederlanders vind ik de laatste tijd rare vreemdelingen.

Er is ook een andere reden om zo'n boek in één ruk uit te lezen. Een land een spiegel voorhouden kan nooit kwaad, het is zelfs goed voor zo'n zelfingenomen land als Nederland. Er zijn veel landen die lijden aan zelfingenomenheid, maar Nederland leed er volgens mij een hele tijd niet aan. Dat was het aardige aan Nederland, dat het zich niet als het middelpunt van de aarde beschouwde. Dat is veranderd, en dan kan een spiegel geen kwaad.

Maar wat leren al die buitenlandse beschouwingen ons? Dat ze niet meer denken aan tulpen, molens en kaas als Nederland ter sprake komt, maar aan abortus, euthanasie en softdrugs. Je kunt het een vooruitgang noemen, al waren tulpen, molens en kaas beter voor het toerisme.

In Nederland, lezen we in de eerste hoofdstukken van het boek, wordt er niet opgetreden tegen fietsendieven of tegen luilakken die thuis blijven omdat ze zeggen overspannen te zijn. De eerste hoofdstukken gaan over de tijd vóór de gekheid van Nederland.

De stukken over de gekheid zelf, van na de opkomst van Pim Fortuyn en de moord op Theo van Gogh, zijn interessanter. Een Engelsman komt met de vraag of fatsoen hij vindt Nederland buitengewoon fatsoenlijk omdat ze hier Engels kunnen spreken noodzakelijkerwijs gepaard gaat met het gebrek aan ruggengraat. Hij vindt het nodig de Nederlanders te herinneren aan de collaboratie met de Duitsers tijdens de oorlog. Zoals ook een Brit erop wijst dat Nederlanders bepaald geen helden zijn.

Het artikel van deze Brit, Simon Kuper, verscheen in vertaling in deze krant (NRC Handelsblad, 26 januari) en heeft de nodige stof doen opwaaien, omdat hij een rechte lijn suggereert tussen het oude verraad jegens joden en de nieuwe haat tegen moslims. Ik zou het niet zo hebben opgeschreven, maar dat onze Nederlandse helden geneigd zijn hun beste buur aan te geven, mag zo nu en dan wel worden opgemerkt.

Er zijn ook minder bittere, zelfs aandoenlijke hoofdstukken in het boek, zoals dat van een Arabier die de Nederlandse overheid alle schuld geeft voor de wanhoop van moslims, een Libanees die een discussie wil in de Arabische landen over de vraag of Mohammed B. terecht wraak nam dan wel een ordinaire moordenaar was, en een Egyptenaar (en vanzelfsprekend `islamkenner') die in een Italiaanse krant vaststelt dat de multiculturele samenleving is mislukt, op gezag van mensen die hij heeft geïnterviewd, zoals Jozias van Aartsen van de VVD, Jaffe Vink van dagblad Trouw en Hans Jansen, islamkenner, dat soort typische Nederlandse helden.

Er zijn ook lachwekkende hoofdstukken in het boek, zoals dat van een Rus die weet dat `men' in Nederland de aandacht van de moord op Theo van Gogh probeerde af te leiden met de al dan niet echte borsten van Georgina Verbaan, en een Fransman die met grote stelligheid poneert dat Theo van Gogh vooral grappig was en dat de moord neerkomt op een aanval op het recht op humor!

Waarom Pieter van Os deze stukken heeft opgenomen in zijn boek, is mij een raadsel. Ook vraag ik me af of de meer serieuze schrijvers wisten van de malle stukken die in het boek zouden worden opgenomen. Het zal zo'n respectabele hoogleraar als Jonathan Israel, die vorig jaar de Pierre Bayle-lezing hield, toch een gruwel zijn om in een boek omgeven te worden door zulke idioten?

En wat te denken van even eerbiedwaardige auteurs als de Britse filosoof Grahame Lock en de Amerikaanse historicus James Kennedy? Het verhaal van James Kennedy stond in deze krant (NRC Handelsblad, 27 april) en het was een ware eye-opener: Nederlanders, zegt hij, willen niets dan consensus, ze willen het zo dolgraag met elkaar eens zijn dat ze in staat zijn met alle winden mee te waaien; in een winderig land als Nederland zijn principes minder belangrijk.

In de jaren zestig werd het dogma van het brave, provinciale en gezagsgetrouwe calvinisme aan de kaak gesteld en zie: en masse was men het er over eens dat individualisme en brutaliteit beter waren. Ze kunnen niet anders, zegt James Kennedy, dan van het ene dogma in het andere vervallen, ze zijn zo makkelijk te bekeren dat het griezelig wordt. Bolkestein zei dat het multiculturalisme mislukt was, Fortuyn onderstreepte dat even en zie: gans Nederland blaat nu mee met het deficit van het multiculturalisme. Als je in dit land gelijk krijgt, krijg je het zo massaal dat je je ervoor schaamt.

Grahame Lock borduurt voort op die Nederlandse brutaliteit: elke individuele Nederlander is zichzelf gaan zien als het middelpunt van de aarde. De Nederlander erkent geen enkel taboe en lijdt aan een Freudiaans narcisme. De wereld begint en eindigt met mijzelf, zoals Theo van Gogh ook dacht, elk taboe moet worden doorbroken. Het taboe op abortus, het taboe op euthanasie, het taboe op softdrugs. En en passant ook het taboe op onbeschaafdheid. Dat is misschien wel het scherpste inzicht dat we krijgen van Nederland op scherp van Pieter van Os: dat Nederlanders het taboe op onbeschaafdheid hebben doorbroken, met overweldigend succes.

ramdas@nrc.nl