Hongaren speels in allerlei muziek

In een geméleerd geprogrammeerde Matinee presenteerde de Hongaarse pianist, dirigent en componist Zoltán Kocsis zaterdag werk van eigentijdse landgenoten, geflankeerd door composities van de `oude meesters' Schönberg en Bach.

Dat Hongarije meer interessante componisten heeft voortgebracht dan Bartók, Ligeti en Kurtág is op de Nederlandse concertpodia nog onvoldoende doorgedrongen. Dat werd duidelijk door een werk als Atte (1999) voor klarinet, cello en ensemble van László Tihanyi (1956). Het is van een verbluffende klankrijkdom, tintelend en spannend van begin tot eind. Hoewel Tihanyi nadrukkelijk klankkleuren componeert, verslapt de muzikale ontwikkeling geen moment: geen doel- en inhoudsloze kleurbedjes, maar een detaillistisch ingekleurd muzikaal vertoog.

Fascinerend zijn de uitgecomponeerde timbres, waarbij een combinatie van instrumentkleuren een totaalklank oplevert die als geheel ook weer zwevend en gonzend in beweging komt. Cello en klarinet nemen hierop een voorschot als ze in de introductie elkaars lage solo's voorzien van vervreemdende boventonen in het hoogste register; een combinatie van melodisch en spectraal componeren die wonderlijk uitpakt.

Een vergelijkbaar proces was al te horen in de quatre-mainsbewerking die György Kurtág maakte van een Bachkoraal. Hier bootsen de eigenlijk `valse' parallelle tertsen en kwinten in de melodie het timbre van een orgel na.

Kocsis, die in dit werk aan de piano zat met collega Ueli Wiget, blonk niet uit in fijnzinnigheid. Dat viel al op in de bot de zaal ingeramde Contrapunctus nr. I uit Bachs Die Kunst der Fuge, waarmee het concert opende.

Dat Kocsis wel degelijk gevoel voor subtiliteit bezit, bleek dit keer vooral uit zijn dirigeren en uit de uiterst smaakvolle instrumentaties die hij maakte van enkele pianowerken van Schönberg. Laatromantisch met wat impressionisme, soms helemaal niet ver van de klank van Schönbergs eigen Orchesterstücke.

Bij Bachs polyfonie sloot een andere Hongaarse compositie aan, Ricercare a 4 voci (2000) van Zoltán Jeney (1943). Interessanter was echter diens werk Önidézetek (`Zelfcitaten', 1991). Hoewel weinig luisteraars de citaten zullen hebben herkend, bleef een virtuoos werk in vier aforistische delen over. Verschillende melodische golfbewegingen, elk met een andere snelheid, overlappen elkaar met soms schitterend resultaat. De virtuositeit wordt ook gerelativeerd met zelfspot: in het tweede deel fladdert de pianist steeds driftiger met zijn vingers over de toetsen, om er uiteindelijk niet één meer in te drukken.

De musici van Ensemble Modern, die in Amsterdam onlangs nog een teleurstellend multimediawerk van Olga Neuwirth presenteerden, speelden voortreffelijk. Ze namen ook met gemak de solistische bijdragen voor hun rekening, waarmee ze onderstreepten dat het Ensemble - een samenstelling van negentien musici uit negen landen - een internationaal topgezelschap is.

Concert: Ensemble Modern o.l.v. Zoltán Kocsis. Gehoord: 7/5 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4: 10/5 20 uur.