Buurman

Behalve de twee amicale klopjes van president Bush vlak onder het rechterschouderblad van koningin Beatrix bij zijn aankomst in Margraten, zag ik het afgelopen weekend nog iets opmerkelijks gebeuren. Het overkwam niet de koningin, en ook niet mezelf, maar een man wiens gezicht ik beter ken dan zijn naam en antecedenten. Ik bedoel mijn buurman op de tribune van Ajax.

Het is een vriendelijke, maar stille man die de wedstrijden meestal met zijn zoontje bezoekt. Dit keer was hij alleen in het gezelschap van een vriend. Ik merkte niets bijzonders aan hem. Hij was voor zijn doen zelfs nogal spraakzaam. Zo vertelde hij met gepaste trots over zijn zoontje dat een voetballertje met veel aanleg bleek te zijn.

Toen zwegen we om naar het voetbal te kijken. In de rust maakte ik een opmerking over de tegenstander. Hij knikte, maar zei niets terug. Ik vroeg hem iets over een blessure van een Ajacied. ,,Ik weet het niet'', mompelde hij.

Ik zei nog iets, maar hij reageerde niet meer. Hij had een onbestemde blik in zijn ogen, alsof er niets meer tot hem doordrong. Zo, in zichzelf verzonken, bleef hij de hele pauze zitten.

Tijdens de tweede helft merkte ik dat hij af en toe in slaap sukkelde. Nu is dat op zichzelf niet verwonderlijk, gezien het nog steeds weinig interessante spel van Ajax. Het zou me niets verbazen als de ME ooit nog eens een snurkende Arena moet ontruimen, omdat niemand het laatste fluitsignaal heeft gehoord. Maar het hazenslaapje van mijn buurman was wel erg hardnekkig. Af en toe viel hij met zijn bovenlichaam opzij tegen zijn vriend of mij.

,,Blijf er wel even bij'', zei zijn vriend dan.

Te weinig slaap gehad? Het moest wel. Het was een ongemakkelijke situatie, maar ik voelde nog geen bezorgdheid. Hij werd regelmatig wakker en wreef dan hard over zijn armen. Hij keek even naar die ongelofelijk saaie Ajax-spits uit Griekenland en zeilde dan weer weg.

Een kwartier voor het einde merkte ik dat er af en toe een vreemde trilling door zijn lichaam trok. Er lag nu ook een waas van zweet op zijn gezicht. Moeten we niets doen, vroeg ik zijn vriend. Komt wel goed, beduidde die. Ik begon de minuten af te tellen.

De wedstrijd was afgelopen en we stonden op. Mijn buurman moest weer gauw gaan zitten, want hij kon nauwelijks lopen.

,,Hij heeft suiker'', zei zijn vriend.

Die uitdrukking kende ik maar al te goed. In mijn jeugd hadden wij een bovenbuurman die af en toe in zwijm viel. ,,Harry heeft weer suiker'', riep zijn vrouw dan, waarna mijn moeder ijlings toeschoot. Een paar minuten heerste er paniek, opeens was er de dreiging van de dood.

In het stadion voelde ik die angst van vroeger weer en daarom haalde ik er een steward bij. Die ging meteen allerlei suikerwaren halen om de patiënt bij zijn positieven te krijgen. Dat lukte min of meer. Ik kon met een gerust hart afscheid nemen, vermoedelijk voor langere tijd, want Ajax hoef ik voorlopig niet meer te zien.

Hoe merkwaardig, dacht ik op de terugweg. Iemand zit jarenlang naast je, en je weet niet wat hem kwelt en bedreigt. Voetbalsupporters zijn voorbijgangers op een zondagmiddag.