Waarom nu pas?

Als historicus wilde Loe de Jong alles over de Tweede Wereldoorlog openbaarmaken. Maar als overlevende van die oorlog blijkt hij persoonlijke brieven voor zichzelf te hebben gehouden. Ze werden onlangs, kort na zijn dood, gevonden.

Liefdevol bladert Abel de Jong door een piepklein agendaatje uit 1941. Op dinsdag 7 januari staat, duidelijk leesbaar, `kiddoesjwijn'. Die zou gedronken worden ter ere van zijn besnijdenis. ,,Die is niet doorgegaan, mijn ouders vonden dat, gezien de oorlog, te gevaarlijk. Alles liever dan herkenbaar zijn, moeten ze gedacht hebben.''

Zijn blik glijdt over de tafel waarop brieven liggen, fotoboeken, verklaringen van de Joodsche Raad voor Amsterdam van 14 en 22 september 1942 dat zijn vader, arts, `onmisbaar is voor de medische verzorging van de Joodsche bevolking van Amsterdam' en zijn moeder `onmisbaar is voor het onderwijs aan Joodsche leerlingen'.

Tot begin dit jaar wisten Abel de Jong (64) en zijn jongere broer Daan (62) niet van het bestaan van die documenten. Maar toen hun oom, de historicus Loe de Jong, op 15 maart overleed en later zijn studeerkamer werd opgeruimd, stuitte diens zoon op spullen die betrekking hadden op Sally, de tweelingbroer van de overleden geschiedschrijver, en diens vrouw Elisabeth (Lies) de Jong- van Male, de ouders van Abel en Daan. Hun moeder zou vandaag, 7 mei, 90 jaar geworden zijn.

Abel de Jong: ,,De eerste vraag die bij je opkomt is: waarom nu pas? Waarom heeft hij ons die brieven, dat agendaatje en de verklaringen van de Joodsche Raad niet gegeven toen wij groot genoeg waren om het aan te kunnen?''

,,Na de oorlog zijn er natuurlijk momenten geweest dat ik Loe dingen wilde vragen, dat ik door wilde vragen maar dan zei hij: `Jongen, het heeft geen enkele zin je met het verleden bezig te houden, richt je op het heden, op de toekomst'. Dan dacht ik: of all people moet Loe dat zeggen, die als historicus niet anders doet dan met het verleden bezig zijn. Maar misschien had hij ook moeite met het onderwerp, met Sally en als afgeleide daarvan met diens kinderen. Het is wel jammer en het stemt droef.''

Het wekt ook bevreemding – to put it mildly. Als historicus streefde Loe de Jong naar zo volledig mogelijke openbaarmaking – vandaar de vele delen van het Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Als oorlogsoverlevende die – op de twee kinderen van Sally na – zijn familie had verloren, bleek hij sommige persoonlijke details, zoals de brieven, ver weg te stoppen. Zelfs voor de kinderen van Sally. Zó ver dat ze pas na zijn dood zijn gevonden. Twee dingen, een portrettekening van Sally uit 1941 en een rapport van hem over de ondergang van de Nederlandse joden gaf hun oom wel toen hij nog leefde. ,,Een paar jaar geleden hebben we fotoboeken met vakantiekiekjes van Sally en Lies uit de jaren dertig gekregen'', zegt Abel de Jong. ,,We wisten niet dat die er ook nog waren.''

Daan de Jong: ,,Het is verschrikkelijk tragisch, die tegenstelling bij hem van wel alles weten over de geschiedenis van zijn tijd, speciaal die van en rondom de oorlogsjaren, maar geen enkel woord weten te zeggen gedurende al die zestig jaar na de bevrijding aan ons over zijn eigen nest, en hoe dat was en wie er nog meer waren. Je kunt er boos om maken, maar wat moet je met postume boosheid?''

Abel de Jong: ,,Toen ik de brieven kreeg kon ik er per dag hoogstens twee lezen.''

Hij pakt er één, van Jeannetje, het 16 jaar jongere zusje van de op 24 april 1914 geboren tweeling Sally en Loe de Jong. De brief is gedateerd Amsterdam, 17 november 1940:

,,Lieve Zus, Broer en Neefje. [...] Jij vroeg of ik het al aan de schooljuffrouw had verteld dat Lies een babie kreeg. Natuurlijk. Maar ik zit niet meer bij die juffrouw. Nu zit ik bij de hoofdonderwijzer. Ik schrijf nogal klein, dus ik hoop maar dat jullie mijn schrift kunt lezen. Ik vind het zo leuk dat Lies ook een babie krijgt. Ik hoop een nichtje, maar als het een neefje is ben ik ook tevreden hoor. [...] Jeannetje.''

Loe de Jong wist op 14 mei 1940 met zijn vrouw via IJmuiden naar Engeland te ontkomen, waar hun oudste zoon geboren werd. In de hectiek van het moment, iederéén wilde in de meidagen van 1940 naar Engeland, verloor Loe de Jong zijn ouders en zusje uit het oog – letterlijk. Zij waren op de avond van 14 mei weer terug in Amsterdam. De brief van Jeannetje kwam via Portugal in Londen terecht.

Loe's vader Godfried schreef op 2 september 1940 vanuit Amsterdam via Portugal aan zijn zoon in Londen:

,,Wat fijn dat jullie tenminste een klein stukje woning hebt waar jullie gezien de omstandigheden het zoo goed mogelijk kunt maken. Wij maken het best. De verdiensten gaan wel en dus ook de materieele kant van het leven. [...] Sal maakt het best, hij promoveert einde September. Grootpa en grootmoe eten geregeld bij ons en verheugen zich in de geboorte van hun eerste achterkleinkind. [...]''

Sal maakt het best – ook de portrettekening die in 1941 van hem werd gemaakt, verraadt niets van angst voor wat is, voor wat dreigt. Geen terneergeslagen blik, integendeel.

Een paar jaar geleden kreeg zijn zoon Abel het portret. Dat ging zo.

,,Ik was op de verjaardag van oom Loe. Die ging even de kamer uit en kwam terug met een pakket. Hij zei: `Dit lag zomaar op de deurmat, geen afzender, niets. Het is voor jou.' Ik pakte het uit en er bleek een portrettekening van Sally uit '41 in te zitten. Ik vroeg nog `Geen afzender, hoe kan dat nou?' `Nee' herhaalde Loe, `geen afzender. Niks.' Ik ging naar de keuken en zei tegen Riel, zijn tweede vrouw: `Dat is toch ook wat. Zomaar een portret van Sally. Zonder afzender'. Waarop zij zegt: `Ach jongen, het heeft jaren bij Loe gestaan'.''

Foute politieman

Hoe verliep de oorlog voor Sally, zijn vrouw en hun twee zoons?

Handig laveert Abel op zijn fiets door de kleine straatjes van de Leidse binnenstad. Linksaf, rechtsaf, brug over, weer linksaf: ,,Ik ga je mijn onderduikadres laten zien.''

Hij stopt bij een kleine woning aan de Rijnsburgersingel. Een trap leidt naar het woongedeelte, één verdieping hoger zijn twee kamers. De kleinste was voor hem. Het was niet zijn eerste onderduikadres. In maart 1943 ontving dominee De Kok in Leiderdorp een briefkaart uit Amsterdam met de tekst `Het boek kan gehaald'. De ontvanger van de briefkaart spoedde zich naar de Nieuwe Prinsengracht 31 waar Sally, Lies en hun kinderen toen nog woonden, om `het boek', Abel en Daan, op te halen. ,,Hoe klein ik ook was, nog geen drie jaar, je voelde dat iets definitiefs gebeurde.''

Per trein reisden ze gedrieën naar Leiderdorp. Het verblijf daar werd na een paar maanden te gevaarlijk: de overbuurman bleek een foute politieman te zijn. Er werden nieuwe adressen gevonden, door wie is niet bekend. Abel ging naar Leiden, Daan eerst naar Wassenaar en later naar Middelburg toen zijn onderduikvader een baan bij de provincie Zeeland kreeg.

Abel de Jong: ,,Op 6 juni 1943 kwam meneer (Piet) Hartevelt, die de Leiderdorpse predikant kende, op de fiets uit Leiden naar Leiderdorp. We moesten met spoed ergens anders ondergebracht worden. Twee kinderen vond hij te veel. Hij zei: `Geef mij dat grotere jongetje maar'. Dat was ik. Hij zette me achterop de fiets en we reden weg.''

Hun vader, Sally, was als arts tewerkgesteld in Westerbork waar hij wekelijks `de' trein zag gaan. Eenmaal op verlof in Amsterdam besloot hij niet terug te keren. Om de Duitsers voor te zijn, om niet zelf ook op transport gesteld te worden, besloten hij en Lies samen met het echtpaar Ies en Suus Spetter via Frankrijk naar Zwitserland te vluchten.

Briefkaart (ongedateerd, maar moet van november 1943 zijn) van de moeder van Lies de Jong (de vrouw van Sally) aan mevrouw Cost Budde, de schoonmoeder van Loe de Jong. De twee moeders fungeerden als tussenpersoon.

,,L. was ontzaglijk gelukkig toen ze mijn handschrift zag. Ze verkeerde minstens in de grootste onrust over mij, net als wij over Lies. En nu ze weet dat ik over de kinderen waak en zorg kan ze het leven weer beter aan. Mijn hart is tòch vol droefheid om haar, zij die zoo klaar stond voor anderen. Dat het haar gegeven mogen zijn spoedig haar liefste bezit in haar armen te mogen houden.''

Ze bereikten Zwitserland, maar vlak over de grens ging het fout. Ze liepen in de armen van een Zwitserse grenspatrouille die hun de verdere doorgang belette. Zelfs een fotootje van Abel dat een radeloze Lies de grenswachters voorhield, kon hen niet vermurwen. Het viertal restte niets anders dan dezelfde weg terug te gaan. Ze bleven in Brussel. Daar, in een kamertje, schreef Sally in zijn minutieuze handschrift (de familie De Jong eigen) op dun papier een rapport getiteld De ondergang van het Nederlandse Jodendom. Wat aan Westerbork voorafging. Minutieus en schrijnend tegelijk, zoals blijkt uit de `Slotbeschouwing'.

,,In de week dat het bovenstaande geschreven werd, is alles wat er in drie jaren voor ellende door de Duitschers aan het Nederlandse Jodendom is aangericht, mijn geestesoog gepasseerd.

Ik beleefde weer de plundering van een bevolkingsgroep, die voor het grootste deel sinds eeuwen in Nederland had gewoond en, maatschappelijk op dezelfde wijze samengesteld als de overige stadsbevolking, in gelijke mate als deze, armoede en welvaart, arbeid en werkloosheid kende.

Ik zag weer de Joden rennen door de straten van hun wijken om te ontkomen aan hun vervolgers en niet in de razzia's het eenige te verliezen wat ze nog bezaten: hun persoonlijke vrijheid.

[...]

Ik zag Joden, die door sadisten in Ellecom en Amersfoort gemarteld waren en hun deportatie als een uitkomst beschouwden.

Ik zag zuigelingen en kindse grijsaards, bijeengebracht `zur Arbeitseinsatz'.

[...]

Had het anders gekund? De vraag stellen is haar beantwoorden. Maar dan zouden de Nederlandse Joden als enige massa-groepering anders op de Nazi-terreur gereageerd hebben dan welke andere massa-groepering dan ook, in West-Europa. De West-Europese mens kent niet het wapen van de georganiseerde passieve weerstand.

De Joden zouden de archieven hebben moeten vernietigen waarin zij als zoodanig geboekt stonden; zij hadden pal moeten staan en weigeren, zelf en vrijwillig de maatregelen uit te voeren en op te volgen, die de Nazi's uitvaardigden. Maar men was bang. Het sterkste wapen der fascisten is, van den beginne af, de intimidatie geweest.

Het valt niet te bezien, of deze laatste tactiek de facto tot andere resultaten had geleid. Maar indien het Nederlandsche Jodendom dan ondergegaan zou zijn een ondergang, die nu binnen enkele maanden voorspeld kan worden dan was het geweest: solidair en zelfbewust.''

Aan deze tekst ontleende historicus Jacques Presser de titel die hij twee decennia later meegaf aan zijn levenswerk over de Jodenvervolging in Nederland, Ondergang. Presser was leraar van Sally de Jong op het Amsterdamse Vossiusgymnasium.

Abel de Jong: ,,Het rapport was bedoeld voor `Londen'. In een uitgeholde scheerkwast zijn al die dichtbeschreven velletjes daar terechtgekomen. Ook Loe, verbonden aan Radio Oranje en toen al bezig met oorlogsdocumentatie, kreeg het onder ogen. Toen hij het handschrift zag, dat sterk leek op het zijne, wist hij: dit is van mijn broer.''

Daan de Jong: ,,Het moet voor hem een enorme schok geweest zijn toen hij dit bericht, dit alarm van zijn tweelingbroer op zijn bureau in het vrije Londen onder ogen kreeg.''

Op 30 november 1943 werd het origineel naar de tikkamer gestuurd om het over te tikken. Daarna werd het naar koningin Wilhelmina, prins Bernhard en verschillende ministers gestuurd. Loe stuurde het Abel de Jong begin jaren '60.

Diners bij tante Kaatje

Inmiddels gloorde in Brussel hoop. De vier waren in contact gekomen met leden van de Belgische illegaliteit die hen naar de Spaanse grens zouden brengen. Ze reisden, samen met hun helpers per trein naar Zuid-Frankrijk. In Pau, aan de voet van de Pyreneeën, werden ze uit de trein gehaald. Eén helpster bleek een verraadster te zijn.

Vanuit Frankrijk schrijft Sally de Jong een brief uit het kamp Mérignac, ten noorden van Bordeaux, gedateerd 1 november 1943, over hun leefomstandigheden. De brief, in het Frans wegens de censuur en daarom ook in verhullende woorden, is gericht aan Ina, Ina Stärcke, een vriendin van Loe uit de jaren '30 die gedurende de bezettingsjaren als contactpersoon fungeerde.

,,Lieve Ina, Het is lang geleden dat je van ons gehoord hebt. Ik ben blij dat ik deze brief kan schrijven. Ik weet niet of jij onze laatste brief hebt ontvangen, die wij verstuurd hebben einde mei. Daarna hebben wij een reis gemaakt en wij hebben verbleven bij vrienden van ons gedurende drie maanden in een hotel in Bordeaux, waar het niet meer was zoals vroeger. (In werkelijkheid was het een gevangenis, red.). Eind september zijn wij daar weggegaan en nu zijn we in een kamp in een klein dorpje vlakbij Bordeaux. Ondanks alle moeilijkheden zijn we in goede gezondheid. Ook moraal en esprit zijn zoals het hoort: we hebben weliswaar enkele teleurstellingen gehad, maar alles bij elkaar genomen zijn we erg tevreden over waar we nu zijn.

Natuurlijk wil je weten hoe we hier leven! De dames hebben een kleine kamer omdat Suus zwanger is. (Ze verwacht het kind in januari en je begrijpt dat dit ons een beetje meer vrijheid en privacy oplevert). Wij eten soms samen met vrienden. Het zijn geen menu's zoals voor de oorlog. (Ik herinner me iedere vrijdagavond de diners bij tante Kaatje en hoe vaak herinner ik me wel niet de volle tafel van de Prinsengracht om maar te zwijgen van andere voorbeelden!).

Desondanks hebben we plezier zoals vroeger en dankzij de hulp die wij krijgen van velen om ons heen hebben we voldoende. Het is hier altijd nog mooi weer: wat een verschil met Holland! Vandaag hebben we kunnen baden.''

Ook Lies schrijft diezelfde dag aan Ina:

,,Lieve Ina, Wat is er veel gebeurd tussen de dag dat wij Amsterdam verlieten en dit moment. Gelukkig is alles goed met ons en ik ben steeds verbaasd dat ik het ben die dit alles meemaak en toch dezelfde blijf. Ik ben erg benieuwd hoe het met jou gaat en met onze vrienden. Het enige waar het me echt aan schort, zijn nieuwtjes, maar schrijf je ons snel? [...] We hebben een paar goede vrienden in Bordeaux die voor eten en kleren zorgen. We hopen zeer dat we hier kunnen blijven! Lieve Ina, ik verlaat je en reken altijd op jou, ondanks het verdriet dat ik je aandoe. Omhels iedereen van mij, speciaal de kleine jongens. Ik omhels je, tot spoedig weerzien.''

,,De kleine jongens'' – dat kon op iedereen slaan. Nooit namen noemen opdat niemand in gevaar werd gebracht.

Op 7 december 1943 schreef de moeder van Lies een brief aan mevrouw Cost-Budde, de schoonmoeder van Loe de Jong.

,,De berichten van Liesje en S. doen ons het leven weer wat beter dragen en geeft ons wat vertroosting. Ik stuurde haar vorige week wat fotoos van de kinderen, wat zullen ze genieten, de jongste zit zo parmantig in de tuin op het gras. Hij is nu alweer 16 maanden en ruim 8 maanden geleden dat L. hem verliet. Voor een moeder wel droef vindt u niet? S. schreef indertijd dat de brieven in 't fransch geschreven moesten worden, en ondergetekend, dat doen we steeds. Ik zou ook wel eens een echte Nederlandsche brief willen schrijven. In 't Fransch is het niet zo gemakkelijk voor mij. Mijn man helpt flink en dan gaat het wel.''

Dertien dagen later, op 20 december 1943, heeft de vader van Lies minder goede berichten, die hij ook overbrengt aan mevrouw Cost-Budde.

,,We kregen 16 Dec. een brief van eenen Heer van Donk uit Bordeaux, met de vraag of we per kerende post en aangetekend, de identiteitspapieren, geboortebewijs, bewijs van Arische afstamming enz. van Lies wilde sturen, daar ze anders riskeerde (onleesbaar) te worden, de brief was elf dagen onderweg geweest, en haast was geboden volgens de schrijver.

We hebben dadelijk gevonden wat we hadden, dat was dus de eerste, of beter gezegd de zoveelste schrik voor ons.

Echter 17 Dec. kregen we een brief van Sally, die door iemand in Amsterdam gepost was, de brief was d. 4 Nov., in Mérignac geschreven met dezelfde vragen, dit was de laatste avond dat ze in Mérignac zouden zijn, ze kregen n.l. die avond bericht alles te pakken voor een vertrek en wel naar een kamp in Drancy, een plaatsje vlak bij Parijs, wat daar met hen zou gebeuren wisten ze nog niet, in elk geval wilde Sally dat Lies buiten de maatregelen voor Joden zou vallen, vandaar zijn vraag om al die gegevens.

We hebben nu van alles wat ik onder hun paperassen nog vond copieën laten maken, en zowel aan den Heer v. Donk als aan het kamp, dus L. en S. adres en aan de J. Raad in Parijs hebben we afschriften van alle Arische verklaringen gezonden''

Op transport

Vergeefs. Van Mérignac werden de twee echtparen overgebracht naar het doorgangskamp Drancy – het Franse Westerbork. Kort na aankomst in Drancy beviel Suus Spetter – de baby heeft slechts een paar dagen geleefd.

Abel de Jong: ,,Volgens Ies Spetter, de enige van de vier die de oorlog overleefd heeft en die naar Amerika is geëmigreerd, heeft Drancy onze moeder psychisch geknakt. Ze had kunnen overleven: ze had maar twee joodse grootouders, en niet vier, dus officieel was ze geen jodin. Waren ze maar gescheiden, denk je later weleens, was vader maar ondergedoken – hij moet genoeg contacten hebben gehad.''

Op 19 januari 1945 schrijft de onderduikmoeder van Daan de Jong, H.A. de Vink-Olthof nog aan `Beste onbekenden L & L' over hem: ,,Daantje is een buitengewoon intelligent, actief en grappig kind. Hij had, toen hij 7 maanden was, al een ongewoon groot gevoel voor humor. Hij is zielstevreden en blijmoedig van aard, en is bezig een zelfstandig en parmantig baasje te worden. (...) Hij corrigeert ons allemaal (in dit huis wonen ongeveer 18 mensen) op gezette tijden door vermanend ,,der dicht'' of ,,jaje uit'', of ,,lampje uit'' te zeggen. (...) Ik wilde graag veel meer vertellen maar kan dit niet te lang maken. Wij wachten met spanning op bericht, vooral ook over Daantjes ouders.''

Maar wat Sally in Westerbork had gezien én gevreesd, overkwam hem, Lies, Ies en Suus in Drancy: zij werden op transport gesteld naar Auschwitz, waar Lies en Suus vergast werden. Sally en Ies waren begin '45 nog in leven. Zij werden, toen de Russen vanuit het oosten Auschwitz naderden, op transport gesteld naar het westen. Als door een wonder kwamen ze in dezelfde treinwagon terecht. Op een gegeven moment verloren ze elkaar uit het oog. Sally werd voor het laatst gesignaleerd in een Aussenkommando van het concentratiekamp Dora in de Harz.

Abel de Jong: ,,Je wilt het niet hè? Je kunt het ook niet accepteren. Van moeder weten we dat ze in Auschwitz is vergast, van Sally ontbreekt elk spoor. Je blijft denken: misschien is hij door de Russen meegenomen, die hadden na de oorlog behoefte aan knappe koppen en Sally was cum laude gepromoveerd. Je loopt op straat en denkt: die rug, zou dat hem zijn? Ik woonde met mijn gezin sinds 1988 tot aan het einde van de eerste Golfoorlog in Israël en je weet: toen kwam er een grote stroom Russische joodse immigranten. Er ging geen dag voorbij of ik dacht: zou hij erbij zijn?

,,Ik keek naar de tv-serie De Bezetting, zoals we in de oorlog luisterden naar `oom Loe' via Radio Oranje, maar er was nauwelijks contact. Ik heb voor mijzelf zijn fixatie op de Tweede Wereldoorlog proberen te verklaren. Wellicht was die ingegeven door afgunst jegens zijn broer (en die afgunst was er al sinds zijn jeugd): die maakt het allemaal mee en ik niet. Maar ik ga het ook meemaken, ik ga erover schrijven. In Londen is hij volgens mij in een oorlogsfixatie terechtgekomen.

,,Loe heeft zich jegens ons wel gerehabiliteerd. Hij heeft ons bijvoorbeeld getracteerd op een paar fantastische vakanties. Begrijp me goed: er is geen boosheid mijnerzijds dat nu pas die brieven zijn opgedoken. Misschien heeft hij iets van en over zijn broer voor zichzelf willen houden.''

Loe de Jong en zijn familie

Loe de Jong was van najaar 1945 tot 1979 directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD, thans NIOD) en schreef het standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.Hij overleed op 15 maart van dit jaar.

Loe de Jong en zijn tweelingbroer Sally werden op 24 april 1914 in Amsterdam geboren. Hun zusje Jeannetje in 1930.

Vader Godfried bestierde, na het diamantwerkersvak vaarwel gezegd te hebben, een melkwinkel aan de Amsteldijk.

Na het Vossiusgymnasium ging Sally medicijnen studeren, Loe aardrijkskunde en geschiedenis. Sally vestigde zich na zijn studie als arts in Amsterdam, Loe werd redacteur van het weekblad De Groene Amsterdammer.

Loe trouwde met Liesbeth-Cost Budde, met wie hij – als enige van de familie – op 14 mei via IJmuiden naar Engeland wist te ontkomen. Zijn vrouw was zwanger van hun eerste kind. Loe werd omroeper/redacteur bij Radio Oranje.

Sally trouwde met Elisabeth (Lies) van Male. Zij kregen twee kinderen: Abel en Daan.

Terug in bevrijd Nederland bleek Loe de Jong al zijn familieleden, behalve Abel en Daan, te hebben verloren.