Visbotjes en wikkeldraadbekers

Eindelijk verschijnt het grote standaardwerk over de Nederlandse prehistorie. Alle kennis verzameld. Landbouw bood meer grip op het leven en de omgeving, maar maakte de mensen niet gelukkiger.

WAT ATEN onze voorouders in de prehistorie? Met enig bladeren biedt het nieuwe grote standaardwerk Nederland in de prehistorie antwoord. De Nederlandse prehistorie valt in twee delen uiteen, zo wordt snel duidelijk. De eerste, meest duistere periode is het tijdperk van vóór de laatste ijstijd. De oudste bewijzen voor menselijke bewoning van het Vaderland (vuistbijlen en andere stenen gereedschappen) gaan terug tot 250.000 jaar geleden. Die bewoners waren Neanderthalers over wie niet veel details bekend zijn. In de Belvedère-groeve bij Maastricht is een vuurstenen mes tussen resten van een neushoorn teruggevonden. In Duitsland is een speer tussen beenderen van een bosolifant teruggevonden. Op het menu stonden dus in ieder geval olifant en neushoorn.

De tweede periode is de tijd na de laatste ijstijd (vanaf 10 à 12.000 jaar geleden). Daarover is veel meer bekend. Het gaat dan zeker om moderne mensen: Homo sapiens sapiens. Na de barre ijstijd wordt het Nederlandse grondgebied opnieuw gekoloniseerd door jagers uit de Hamburg- en Arhensburgculturen. Zij aten in ieder geval rendieren, die in de voorjaar en de herfst in grote kuddes trokken over de Nederlandse toendra (die door het lage zeeniveau toen tot aan Engeland doorliep). Verder zijn er uit hun jachtkampjes wat visbotjes bekend.

Zo kun je eindeloos grasduinen in dit langverwachte standaardwerk over de Nederlandse prehistorie (drie kilo zwaar, 842 bladzijden), dat maandag officieel wordt gepresenteerd. Potten, wapens, nederzettingspatronen, begraafrituelen, huizen, zoutwinning. En ook alle Federmesser-, Rijnbekken-, Noordwestgroep-, Swifterbant-, Michelsberg-, Stein-, trechterbeker-, enkelgraf-, klokbeker-, wikkeldraadbeker- en wat-al-niet-culturele tradities: ze staan er allemaal in.

``Het idee voor dit boek ontstond al meer dan tien jaar geleden. Sommige stukken zijn al jaren geleden geschreven, maar alles is tot 2003 bijgewerkt'', vertelt de eindredacteur van het grote project prof.dr. Leendert Louwe Kooijmans. Hij is inmiddels emeritus hoogleraar Prehistorie in Leiden. ``En alle 38 medewerkers zijn nog in leven hoor! Het duurde veel langer dan verwacht omdat we zijn ingehaald door het succes van het vak. Tien jaar geleden hadden we in Leiden zo'n 150 studenten, nu ruim 400. En natuurlijk te weinig staf! We hadden het veel te druk met onderwijs.''

Op de jongste generatie na hebben vrijwel alle prehistoriespecialisten in Nederland aan het boek meegewerkt. Louwe Kooijmans: ``Ik schat dat er in Nederland nu zo'n 700 archeologen werkzaam zijn. Daarvan zijn er met een wetenschappelijk ambitie minder dan 40 actief voor de prehistorie.''

De grootste culinaire revolutie aller tijden trof Nederland zevenduizend jaar geleden (de Noordzee is dan allang ontstaan), met de komst van de landbouw (ca. 11.000 jaar geleden `ontdekt' in het Midden-Oosten). De eerste Nederlandse landbouwers waren de Bandkeramiekers op de Limburgse lössgronden. Zij aten amper nog wilde dieren, maar wel veel schapen, runderen, geiten en varkens. Het plantaardig voedsel bestond uit zelf verbouwde emmer- en eenkoorntarwe, erwten, linzen, lijnzaad en maanzaad. Dat maanzaad is bijzonder. Want voor zover bekend wordt het in deze tijd uitsluitend in het Nederlandse en aangrenzende Duitse bandkeramiekgebied gegeten.

En zo gaat het verder. Ruim 4.000 jaar jaar geleden leefden leden van de klokbekercultuur op zandruggen in het zoetwatermoeras dat toen de monding van de grote rivieren vormde. Uit opgravingen in Molenaarsgraaf blijkt dat er daar allicht veel vis gegeten werd. Sterker nog: een van de drie doden van wie in Molenaarsgraaf het graf is teruggevonden, stierf waarschijnlijk door een visgraat in zijn keel, een ander kreeg drie benen vishaakjes mee in zijn graf. Verder werden er graanspijzen gegeten, hazelnoten, en (alweer) rund, schapen en varkens. Een beetje werd er gejaagd, maar niet veel.

Aan het eind van de prehistorie, vanaf 500 voor Chr., wordt ook het noordelijk kustgebied (Friesland, Groningen) voor het eerst permanent bewoond. Op de terpen worden alwéér schapen en runderen gegeten, maar ook gerst, lijnzaad, dederzaad en duivebonen.

De gekste details zijn in het nieuwe standaardwerk terug te vinden. Het verbouwde graan werd niet alleen door mensen opgegeten, zo blijkt bijvoorbeeld uit een potscherf uit het Rijnmondgebied: in de scherf zit de indruk van een gerstekorrel èn de tandafdrukjes van een bosmuis die de korrel probeerde los te knagen voor de pot gebakken werd. De komst van de Romeinse keuken in 12 voor Chr. maakt een einde aan de prehistorie.

Bij wie zou Louwe Kooijmans zelf het liefst aanschuiven? De prehistoricus aarzelt niet: het mesolithicum (8.800 tot 5.000 voor Chr.), wanneer er nog geen landbouw is maar al wel een gevarieerd dieet. De toendra is inmiddels vervangen door dicht loofbos. ``Dan is het ook al lekker warm en er is van alles te eten.'' In hoofdstuk 8, `Leven in overvloed' door Leo Verhart en Henny Groenendijk is het menu na te slaan: hazelnoten, kersen, eikels, waternoten, zwijn, eland, oerrund, edelhert, wildzwijn, beer, bever, otter, wolf, lynx, haas, eekhoorn, das, marter en vos. Het was een paradijs voor de jager. Het handjevol jager-verzamelaarvolkeren dat nu nog leeft, is allang door landbouwers verdrongen naar de onvruchtbaarste randgebieden, maar in die tijd zitten ze nog op de rijkste gebieden. Louwe Kooijmans ziet er wel wat in: ``Eten in overvloed, nog niet de sociale ongelijkheid die met de landbouw komt, niet de ziektes die van het vee komen, nog niet de oorlogen. Jager-verzamelaars vertonen conflictmijdend gedrag: als je ruzie krijgt ga je weg. Als je landbouwer bent, gaat dat moeilijk. Dan wordt het eerder vechten. In de landbouwtijd zie je natuurlijk wel dat de mensen steeds meer grip op het leven krijgen: steeds beter geconstrueerde boerderijen, steeds betere landbouwmethoden, steeds meer handelscontacten, steeds betere materialen, eerst brons, dan ijzer. Maar dat wil nog niet zeggen dat ze gelukkiger waren. En er is niets over bekend, maar het zou mij totaal niet verbazen als de bandkeramiekers, of een ander landbouwvolk, al slaven hielden.''

vakbladen

Het doel van het boek, dat binnenkort ook in een Engelstalige editie verschijnt, is alle beschikbare kennis over de Nederlandse prehistorie bijeenbrengen. Louwe Kooijmans: ``Alles staat natuurlijk wel in vakbladen, maar zelfs wij zelf kunnen door de bomen soms het bos niet meer zien. Het laatste wetenschappelijke overzichtswerk voor de Nederlandse prehistorie is uit 1959. En de populariserende boeken zijn bijna allemaal regionaal georiënteerd. We hebben het boek dus óók voor onszelf gemaakt. Daarom hebben we veel moeite voor uitgebreide registers gedaan, eindelijk kun je in één keer nazoeken wat er in Nederland over bijvoorbeeld barnsteen bekend is.''

In het boek vliegen de nederzettingspatronen en pollenanalyses de lezer om de oren. Voortdurend wordt het tastende en onzekere van de conclusies benadrukt. De toon in het nieuwe standaardwerk is er een van onthutsende eerlijkheid: héél véél is onbekend. ``Historici en kunsthistorici schrikken vaak als ze ons horen'', beaamt Louwe Kooijmans. ``Want ja, we hebben wel veel gevonden, maar als het gaat om gedachten of gevoelens van de mensen die toen leefden, haken we af. Dat weten we niet. In de Romeinse tijd, als er geschriften en inscripties zijn, verandert dat volkomen. Maar goed, we weten ook veel wél hoor.''Verrassend genoeg blijkt het niet slechts over de `vorige bewoners' van het Nederlands grondgebied te gaan, maar ook over voorouders van een groot deel van de huidige inwoners (overigens op voorwaarde dat er geen breuk in de bewoning is in het Laat-Romeinse rijk, zoals sommige onderzoekers van die periode menen). De continuïteit in de prehistorische bewoning is in ieder geval verrassend groot. Louwe Kooijmans: ``Dat is een van de belangrijke nieuwe inzichten van de laatste vijftig jaar. Het oude principe was altijd: nieuwe potjes, nieuwe mensen. Zo heb ik het nog op college geleerd. Maar dat is toch wel erg onwaarschijnlijk. Immigratie speelt geen grote rol, vinden we nu. Alleen bij de eerste boeren op de löss wordt dat nog aangenomen: die bandkeramiekers kwamen van buiten. Verder worden alle andere vernieuwingen gewoon overgenomen door inheemse mensen. Want als je goed kijkt zie je ook altijd regionale verschillen waarin vaak allerlei oudere tradities nog een tijdje voortleven. In de urnenvelden zie je bijvoorbeeld nog een tijdje de oudere grafheuveltraditie voortbestaan. Dat is een bewijs voor continuïteit. En misschien nog wel belangrijker: waar láát je al die mensen van zo'n `vorige cultuur'? Zo gering waren die aantallen nu ook weer niet. De hunebedbouwers en hun tijdgenoten (3.400 tot 3.000 voor Chr.), dat waren toch gauw 10.000 mensen. Maar massagraven vind je niet. Die oude vervangingsthese was niet goed doordacht.''

Vroeger was archeologie gewoon een theoriearm vak, antwoordt Louwe Kooijmans achteloos. De vraag was waarom archeologen vroeger dachten dat iedere nieuwe stijl van potten een nieuwe invasie betekende. ``Pas sinds de New Archaeology van Lewis Binford en David Clarke, eind jaren zestig, wordt er echt nagedacht over de relatie tussen wat we willen weten en wat we vinden in de grond. Sindsdien worden vondsten geproblematiseerd en zijn duidelijke conclusies een stuk moeilijker geworden.'' En dus is er laatste decennia niet alleen heel veel opgegraven vooral dankzij de tomeloze bouwlust in Nederland maar ook veel nagedacht over het soort maatschappij dat er in de prehistorie in Nederland bestond. Kort gezegd: in de jagerstijd kleine familiegroepen binnen een losser groter verband, in de landbouwtijd grotere groepen met een langzaam maar gestaag toenemende sociale ongelijkheid.

staatsvormen

Maar die gestaag toenemende complexiteit leidt dus niet héél ver. ``Dit is in mijn ogen ook het grote raadsel van de West-Europese prehistorie'', vertelt Louwe Kooijmans, ``waarom zijn hier nooit grote rijken ontstaan? In het Midden Oosten heb je al gauw staten in Mesopotamië en Egypte. Dat slaat over naar Griekenland, in de Minoïsche tijd (ca. 1.400 voor Chr.). Maar verder dan Italië komt het niet. Er is contact genoeg met de rest van Europa, maar staatsvormen ontwikkelen zich. Ja, bij de Kelten (vanaf 500 voor Chr.) zie je wel een paar aanzetten naar staatsvorming, maar ook dat blijft een stammensysteem, met stamhoofden. Pas met de Romeinen verschijnt hier de staat, met schrift en met een bureaucratisch systeem. De Franken nemen dat later over en dan zitten we al in de middeleeuwen. Ik ken geen goede verklaring waarom we moesten wachten op de Romeinen.''

Andere grote raadsels zijn er eigenlijk niet meer. ``Alle periodes zijn nu wel goed in kaart gebracht'', aldus Louwe Kooijmans. ``Toen ik college volgde, had men over de samenleving in het mesolithicum (ca. 8.800 tot 4.900 voor Chr.) geen idee. Ze renden toen door het bos, dat was het. En wat er gebeurde tussen de eerste boeren en de hunebedden (ca. 5.400 tot 3.400) was volledig duister, een groot gat in onze kennis. Nu weten we daar veel meer over.''

Dat leidt allemaal tot een weinig trotse conclusie. In de Nederlandse prehistorie werden eigenlijk geen `grote wereldhistorische daden' verricht, tenminste voor zover bekend. In feite zijn er twee grote gebeurtenissen: de kolonisatie van het in de IJstijd verlaten land rond 10.000 voor Chr. door geavanceerde jagers-verzamelaarsculturen, en de introductie en uitbreiding van de landbouw vanaf 5.300 voor Chr.

Louwe Kooijmans: ``We zijn in Nederland gewend onszelf te zien als het centrum van het heelal. Als we op een of andere economische ranglijst van derde naar de vierde plaats in de wereld zakken, breekt er paniek uit. Maar tot ver in de middeleeuwen was dit land helemaal geen kerngebied. Hier vonden geen innovaties plaats, hier werden geen grote rijken gevestigd. Voor het buitenland zijn we vooral interessant omdat hier goed is uitgezocht hoe vernieuwingen van buiten worden opgepakt. Daarom zijn we in de Nederlandse archeologie ook zo goed in de analyse van huisplattegronden en nederzettingen. Verder is er ook bijna niks, geen glamour: geen grote bronsdepots, geen grootse monumenten. En grote veranderingen zijn er óók al niet: er verandert wel wat, maar tot in de late prehistorie zie je hier toch gewoon verspreide boerderijen in kleine gehuchten staan. That's it!''

Leendert Louwe Kooijmans, Peter van den Broeke. Harry Fokkens en Annelou van Gijn (eds.), Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Prometheus-Bert Bakker 850 blz. €55,- ; Engelstalige editie: The Netherlands in Prehistory, Amsterdam University Press. €89,50