Pabo

...en een nagekomen reactie op het artikel over de pabo in het Zaterdags Bijvoegsel van 23 april.

Iedereen heeft onderwijs `genoten'. Iedereen heeft daarmee ook een beeld van en vaak ook een oordeel over de kwaliteit van het onderwijs. Maar dat is wel het onderwijs van vroeger. Velen schrijven het succes in hun beroepsuitoefening toe aan het onderwijs dat ze genoten hebben. Bij expliciete navraag blijkt echter vaak dat de meeste mensen de taken die ze nu uitvoeren niet in hun opleiding hebben geleerd, maar in de praktijk. En omgekeerd moet bijna iedereen toegeven dat veel van de proefwerk- of tentamenkennis die ze ooit hebben beheersd, snel na het examen in de vergetelheid is geraakt.

Kortom, schoolse kennis is er om van buiten te leren en daarna snel te vergeten; kennis beklijft pas als het functioneel wordt ingebed in beroepsmatig handelen, als het verbonden wordt met bekwaamheden en waarden. Van buiten leren wordt dan van binnen leren. En dat noemen we dan deftig: competentiegericht leren.

Overal in het beroepsonderwijs (mbo, hbo en in toepassingsgerichte universitaire opleidingen) is een ontwikkeling aan de gang waarbij nauwkeuriger wordt gekeken naar de aansluiting van het onderwijs op de beroepspraktijk. Er is meer zicht op de wijze waarop studenten leren en op de oorzaken van de vaak gesignaleerde praktijkschok. Competentiegericht opleiden komt daarom niet zomaar uit de lucht vallen. Competenties zijn namelijk afgeleid van het beroepsprofiel dat door beroepsbeoefenaren in een bepaald beroep is opgesteld: wat moet een beginnende leraar, verpleegkundige, bouwkundige of tandarts in samenhang kunnen, kennen en vinden? En hoe kan deze set van bekwaamheden het beste worden verworven?

Een opleiding probeert steeds meer samenhang aan te brengen tussen theorie en praktijk. De complexiteit van de beroepspraktijk wordt in de opleiding geleidelijk aan opgevoerd en er wordt voortgebouwd op de bij de studenten reeds aanwezige kennis en vaardigheden. Het beroepsonderwijs zal daarvoor vaker plaats vinden in levensechte beroepscontexten. Dit is een grote verandering ten opzichte van het verleden, waar opleiders één (lees: hun) vakdiscipline als belangrijk bestempelden en studenten vervolgens de integratie van al die losse vakken in de beroepspraktijk zelf voor elkaar moesten zien te krijgen. Onderzoek heeft helder gemaakt dat dit type transfer moeizaam optreedt en beginnende beroepsbeoefenaren vaak het gevoel hadden dat ze niet goed op de beroepspraktijk waren voorbereid.

Dit is in het beroepsonderwijs breed aan de orde en dus ook in de beroepsopleiding van leraren. Het is volstrekte nonsens om te beweren dat er een verschuiving is van `weten' naar `kunnen'. Wel is er een verschuiving van `weten' om te `weten' naar `weten' om te `kunnen'. Weten is wel een noodzakelijke, maar nooit een voldoende voorwaarde voor kunnen.

En dan is er nog een al te simpele opvatting over wat voor soort kennis er in een opleiding tot leraar zou moeten zitten. Het gaat niet alleen om kennis van het schoolvak (rekenen, taal, aardrijkskunde, geschiedenis, et cetera). Het gaat ook om kennis van leren en om kennis van leerlingen. En al die soorten kennis moeten op een praktisch, methodisch èn theoretisch niveau worden beheerst.

Natuurlijk moeten leraren basisonderwijs de schoolvakken qua kennis op een hoog niveau beheersen. Maar als die kennis niet functioneert in het adequaat handelen met deze leerlingen in deze school, dan heeft dat geen enkele betekenis. Leraren basisonderwijs moeten voldoende weten van alles, veel weten van een aantal schoolvakken en/of een bepaalde leeftijdsgroep, maar moeten na hun opleiding vooral ook weten wat ze (nog) niet weten. Als we leraren hun beroepsloopbaan lang aan het leren houden, door met elkaar in de praktijk oplossingen te ontwerpen voor alledaagse problemen, dan komt het met het leren van de leerlingen vanzelf goed.