Overheid moet de race naar sociale status tegengaan

Economen vergeten vaak de consequenties van het feit dat mensen sociale dieren zijn.

Wij zijn sociale dieren, en onze aard heeft zich biologisch ontwikkeld. Dat is niet echt nieuw of omstreden, zult u misschien denken, gelet op de overvloed van boeken en artikelen over de evolutietheorie. Toch heeft het neodarwinisme ingrijpende gevolgen voor het overheidsbeleid.

De traditionele markteconomie gaat ervan uit dat de beschikking over goederen en diensten het belangrijkste voor mensen is en dat ze het meest geholpen zijn met een verhoging van hun koopkracht, want dan kunnen ze vollediger voorzien in hun onvervulde wensen of voorkeuren. Ze kunnen dingen kopen die ze al wel wilden maar zich niet konden veroorloven. Maar economen zijn blind voor sociale verhoudingen. Ze denken dat ik beter af ben als ik absoluut gesproken meer kan consumeren, ongeacht wat andere mensen consumeren. Ze denken dat andere mensen voor mij alleen van belang zijn voor zover ze mijn economische doelen dienen.

Als theorie van de menselijke natuur klopt dit eenvoudig niet. Wij zijn sociale dieren: van groot belang is de aard van onze sociale verhoudingen. We hechten zeer aan onze status of rangorde ten opzichte van anderen en aan de mate waarin we thuis en op het werk iets te vertellen hebben. Status, sociale participatie en zeggenschap zijn niet gerelateerd aan onze absolute rijkdom, maar aan onze rijkdom vergeleken bij die van anderen. Mensen met een relatief hoog inkomen hebben meestal een hogere status (het grote huis en de grote auto symboliseren het succes), een groter vermogen tot participatie (ze kunnen alles doen wat `in' is), en meer autonomie.

In Status Syndrome analyseert epidemioloog Michael Marmot de ongunstige effecten van statusverschillen op de gezondheid. Het probleem is niet dat een kleine groep `arme' mensen een slechte gezondheid heeft als gevolg van weinig status, participatie en zeggenschap. Na verdiscontering van de lichamelijke oorzaken van ziekte blijkt de gezondheid een waarneembare sociale component te hebben, die ons vrijwel allemaal beïnvloedt. Met elke trede die we stijgen op de statusladder verminderen we ons risico op een hartkwaal en andere ernstige ziekten. In Zweden leven academici bijvoorbeeld langer dan hbo'ers, en zij weer langer dan mensen met een vwo-opleiding.

In zijn nieuwe boek Happiness richt de econoom Richard Layard zich op ons psychologisch welzijn. Hij stelt dat onze balans tussen werk en leven ernstig wordt verstoord door de sociale vergelijkingen die wij maken. We werken om goederen en diensten te verwerven, maar niet alleen vanwege hun objectieve kwaliteiten ook om onze status te demonstreren. Wat `in' is kost onveranderlijk meer dan wat `uit' is. Deze eeuwige concurrentie is sociaal destructief omdat de totale hoeveelheid status vastligt: als ik in de rangorde stijg, moet u dalen.

De vrije-marktschool betoogt dat beleidsmakers niet moeten toegeven aan een ondeugd als afgunst. Maar je kan biologisch onderzoek niet zo makkelijk wegwuiven. De natuurlijke selectie heeft ons opgescheept met een aangeboren zorg om onze sociale status. Andere primaten voelen zich net zo. Apen zijn gelukkiger en gezonder als ze boven aan de sociale hiërarchie staan: hun hersenen produceren meer serotonine.

Overheidsbeleid moet uitgaan van de menselijke aard zoals hij is. Economische productie alleen de simpele ophoping van goederen en diensten zal nooit tot een gelukkige maatschappij leiden, omdat ze geen rekening houdt met, en vaak juist bijdraagt tot, de diepgaande spanningen die ontstaan door ongelijkheden in rijkdom, status en macht. Ons beleid moet afgestemd zijn op het tegengaan van de collectieve, zelfverwoestende status-race.

Schrijver en columnist gespecialiseerd in economische zaken

©FT