Nieuwe heilsleer

Op 19 april hield Arie van der Zwan een voordracht voor de Hogeschool van Amsterdam. Als eerste in een reeks die een jaarlijkse traditie moet gaan worden. Een uitstekend opgebouwd betoog omdat hij daarin eerst opkomt voor het miskende beroepsonderwijs, om vervolgens, nadat hij daarmee het vertrouwen van de toehoorders heeft gewonnen, de geachte aanwezigen te kapittelen, culminerend in: `Wie van de buitenwereld erkenning verlangt, zal toch in de eerste plaats hoge eisen aan zichzelf moeten stellen.' Dit laatste gebeurt in zijn ogen veel te weinig. Als voorbeeld noemt hij de negatieve beoordeling die de pabo's onlangs ten deel viel en de reactie daarop van de Hbo-raad. Hij noemt die verontrustend omdat de bezwaren met een beroep op weinig steekhoudende argumenten werden weggewuifd. ``Deze ontkenning van de manifest geworden kwaliteitstekorten is in feite een miskenning van de betekenis van het beroepsonderwijs, maar dan vanuit het beroepsonderwijs zelf.''

Aan het slot van zijn voordracht ging Van der Zwan uitgebreid in op een verontrustende ontwikkeling die kenmerkend is voor het hele, maar toch vooral voor het middelbare en hogere beroepsonderwijs, namelijk het nieuwe leren. Het lidwoord `het' suggereert dat het hierbij zou gaan om één bepaalde aanpak, maar dat nieuwe leren kent vele varianten. Die hebben één ding met elkaar gemeen: het uitgangspunt is de beroepspraktijk. Daaruit wordt afgeleid over welke competenties iemand moet beschikken om de betreffende werkzaamheden adequaat uit te voeren. Daarmee is de ene kant van de zaak in kaart gebracht. De andere kant is de student. Die beschikt bij het begin van zijn opleiding al over zekere competenties. Om te bepalen in hoeverre dat het geval is, speelt zelfbeoordeling een belangrijke rol. Onlangs kwam mij een voorbeeld onder ogen van Gilde Opleidingen, een Regionaal Onderwijs Centrum (ROC) dat onder meer middelbaar beroepsonderwijs verzorgt in Noord- en Midden-Limburg. Enkele citaten uit de brochure waarin deze instelling haar visie op competentieleren verwoordt: `Een deelnemer is zelfstandig ondernemer van zijn eigen leertraject. Leren is dan ook een uitdaging die een beroep doet op de ondernemerskwaliteiten van de deelnemer.'

Als ondernemer is de deelnemer zelf aansprakelijk en verantwoordelijk voor zijn ontwikkeling. Hij wil daarom actief, ervarend en concreet aan de slag. Met durf en enigszins risicodragend.

De deelnemer wil zo snel mogelijk en zo veel mogelijk in de praktijk leren. Leren in de praktijk maakt leren namelijk relevant.

In zijn voordracht wees Van der Zwan erop dat deze manier van leren een beroep doet op kwaliteiten die in hoge mate afhankelijk zijn van de intellectuele capaciteiten van betrokkenen: het vermogen om jezelf op kennis en inzicht te controleren, aanvullende kennis te zoeken, jezelf te testen en dergelijke. Van der Zwan: ``Met leerlingen wier intellectuele capaciteit beperkter is tóch excellente resultaten behalen, dat was de kunst waarin het hbo zich van de universiteit onderscheidde. Hetzelfde gold, zou ik daar aan willen toevoegen, voor veel middelbare beroepsopleidingen. Maar ook daar gaan ze over op het nieuwe leren. En zoals het ware gelovigen betaamt wordt er niet eerst voorzichtig geëxperimenteerd om na te gaan in hoeverre een dergelijke aanpak vruchtbaar is, maar worden alle opleidingen verplicht om zich aan de nieuwe heilsleer te onderwerpen. Met Ratelband-kretologie wordt de nieuwe aanpak gepropageerd als het onderwijskundige ei van Columbus. De teleurstellingen laten zich voorspellen.

lgm.prick@worldonline.nl