Lewis Carroll en zijn jacht op kleine meisjes

In twaalf afleveringen schrijft schaker Hans Ree over de grote geesten die zijn leven hebben beïnvloed.

Na de dood van Charles Lutwidge Dodgson (1832-1898) werd in een necrologie in The Times opgemerkt dat de figuren die hij als Lewis Carroll had geschapen een deel van het Britse nationale erfgoed waren geworden en dat er geen week voorbijging zonder dat iemand in het openbare leven uit de boeken over Alice citeerde om zijn verhaal een geestige pointe te geven. Sindsdien is het zo gebleven.

Het proces tegen de Hartenboer in Alice's Adventures in Wonderland is met Kafka vergeleken; het gedicht Jabberwocky uit Through the Looking Glass met de wiskundige groepentheorie. De quantummechanica, de relativiteitstheorie en de anti-materie, je kan het zo geleerd niet bedenken of het is in verband gebracht met Lewis Carroll. Het is een wonder dat zijn verhalen, die kleine meisjes moesten vermaken, niet onder de last van een eeuw van erudiete commentaren zijn bezweken.

De begrafenis in 1898 was sober, in overeenstemming met de wens van de overledene, maar later in dat jaar werd een nationale inzamelingsactie gehouden voor een waardig monument: het Lewis Carroll kinderbed in een Londens ziekenhuis. De koninklijke familie en prominente politici, kerkleiders en kunstenaars droegen royaal bij.

Ik zie graag harmonie tussen mijn helden en onderlinge bewondering. Wat Lewis Carroll betreft zit dat wel goed. Nabokov vertaalde hem in het Russisch en Themerson noemde zijn uitgeverij naar Jabberwocky. In zijn essay Monoloog van een anglofoob noemt W. F. Hermans Alice in Wonderland een van de zeer weinige meesterwerken die op Britse bodem zijn geschreven. Zoveel overeenstemming maakt bijna wantrouwend.

Wantrouwen blijkt bij herlezing niet gerechtvaardigd. Alles in de Alice-boeken is precies goed. Zo is dat Lewis Carroll later niet meer gelukt.

De opvolgers van Alice waren Silvie en Bruno, twee elfjes wier avonturen Lewis Carroll in bijna 500 bladzijden beschreef. Het eerste hoofdstuk met de fraaie titel Minder Brood! Meer Belasting! begint overrompelend:

'- En alle mensen juichten meteen, en een man die nog opgewondener was dan de anderen, wierp zijn hoed hoog in de lucht, en riep (als ik het goed verstaan heb) ”Wie juicht er voor de Onderdirecteur?” Iedereen juichte, maar of het voor de Onderdirecteur was of niet, was niet duidelijk: sommigen riepen ”Brood!” en sommigen ”Belasting!”, maar niemand leek te weten wat ze echt wilden.'

Je ziet nog dat hij schrijven kon. In een paar regels worden we abrupt in een absurde wereld gezet waarin een verdwaasd volk om minder brood en meer belasting schreeuwt. Terloops wordt een verteller geïntroduceerd die twijfelt of hij alles goed verstaan heeft, en we vermoeden al dat de Onderdirecteur een volksmenner is. Maar zo mooi blijft het niet. Silvie and Bruno is te lang, vaak zelfs saai, en het is sentimenteel.

Gevaarlijk

De figuren die Alice ontmoette zijn allerminst sentimenteel. Haar wonderland is gevaarlijk. De Hartenkoningin wil voortdurend hoofden laten afhakken en bijna iedereen intimideert Alice met een absurde schijnlogica.

Als ik een woord gebruik, betekent het wat ik wil, zegt Humpty Dumpty. Het is de vraag of je een woord zoveel verschillende betekenissen kunt geven, werpt Alice tegen. De vraag is wie de baas is - punt uit, zegt Humpty Dumpty dan.

Dat is hard, maar zoals het in kinderboeken hoort, loopt bijna alles goed af. Alleen niet voor de oesters die worden opgegeten door de walrus en de timmerman. Nou ja, dat waren maar oesters. Toch maakte Lewis Carroll het later in een toneelbewerking goed door de dode oesters wraak te laten nemen.

Zijn vertaler Vladimir Nabokov zei eens dat zich in Alice in Wonderland achter de droomwereld impliciet een andere wereld bevindt, die solide en nogal sentimenteel is. Die solide wereld moet de Britse koninklijke familie herkend hebben toen ze bijdroeg aan het Lewis Carroll monument.

Volgens de legende vertelde hij de avonturen van Alice in Wonderland tijdens een roeipartijtje op 4 juli 1862 aan de drie kinderen van Henry Liddell, het hoofd van het Christ Church college in Oxford waaraan Dodgson tot het eind van zijn leven als wiskundige verbonden was.

Het boek dat uit die vertelling voortkwam, wordt ingeleid met een gedicht dat in de vertaling van Nicolaas Matsier zo begint:

Al in het gouden middaguur

Drijven wij ongestoord;

Vier kleine armen trekken slap

Aan twee riemen ons voort,

Twee kleine handen doen alsof

Er iemand stuurt aan boord.

In feite regende het op 4 juli 1862, maar daar gaat het niet om. De wereld van Lewis Carroll en zijn luisterende meisjes is er een van lome zomermiddagen en traag bewegende roeispanen, een droomwereld van onschuldig geluk. Zo zagen de tijdgenoten het in ieder geval. Het ligt voor de hand dat latere generaties gingen twijfelen aan de onschuld van dat geluk.

We geloven niet meer in de seksuele onschuld van kinderen en vooral niet in die van kindervrienden. Het kon niet uitblijven dat de Freudianen zich over de Alice-verhalen bogen en een luilekkerland van seksuele symbolen vonden, te beginnen met het konijnenhol waarin Alice afdaalt.

Het is waar dat je die symbolen in alle sprookjes kunt vinden. Ook was het niet aardig om Alice een 'penissubstituut' van de eerwaarde geestelijke Charles Dodgson te noemen, zoals een van de Freudianen deed, en die symbolenwichelarij wordt tegenwoordig niet meer zo ernstig genomen. Maar toch, je hoeft geen Freudiaan te zijn om de kindervriendschap van Charles Dodgson ongewoon te vinden. Voor een modern mens is het moeilijk voorstelbaar dat zijn Victoriaanse tijdgenoten het wel gewoon vonden.

Als een vlindervanger ging hij er op uit, gewapend met een tas vol spelletjes en goochelattributen, om in de trein naar Londen of op straat steeds nieuwe vriendinnetjes te vinden. In zijn fotostudio was het een komen en gaan van kleine meisjes. Op honderden foto's kijken ze met een schalkse wereldwijze blik, soms half ontkleed als bedelares of als zigeunermeisje - traditioneel kostuum van Londense prostituees - en later op naaktfoto's, die niet bewaard zijn omdat Dodgson opdracht gaf ze na zijn dood te vernietigen.

Het gaf geen aanstoot, ook niet als die kleine meisjes bij hem bleven logeren. Dodgson maakte zich eens zorgen toen er in Oxford geroddeld werd dat hij de kinderen Liddell zo vaak bezocht omdat hij in feite geïnteresseerd zou zijn in hun gouvernante. Dat zou in die tijd pas echt aanstootgevend geweest zijn en hij wees de beschuldiging verontwaardigd van de hand. Hoe anders is dat nu. Wij zouden het heel gewoon vinden als hij het op de gouvernante voorzien had, maar zijn extreme kindervriendschap vinden we verdacht.

Droef en eenzaam

In 1965 werd in Engeland Dennis Potters televisiedrama Alice uitgezonden. Charles Dodgson is er een droeve en eenzame man die niet in staat is tot contact met volwassenen. Een pedofiel die niet tot seksuele daden overging. In die onthouding en in zijn worsteling met de onheilige verlangens die hem kwelden, zag Potter de waardigheid en de moed van Dodgson.

Het was een beeld waartegen bewonderaars van Lewis Carroll protesteerden, maar Potter zelf was ook een bewonderaar en zijn visie leek realistisch. Op grond van de feiten zoals ze in de biografieën van Dodgson gepresenteerd werden, was het in 1965 bijna niet mogelijk om een ander beeld te schetsen.

Maar klopten die feiten wel? In 1999 verscheen het boek In the Shadow of the Dreamchild van Karoline Leach, waarin zowel het traditionele beeld van de onschuldige zonderling die in een kinderlijke droomwereld leefde, als het sombere, moderne beeld van een ongelukkige pedofiel aan een drastische revisie werd onderworpen.

Leach wees er op dat Dodgson zijn leven lang ook veel langdurige en hartelijke relaties met volwassen vrouwen had gehad. Ze toonde aan dat in de Carroll-literatuur vriendinnen die in werkelijkheid rond de 20 jaar waren, vaak als kleine meisjes werden voorgesteld. Ze wees op liefdesgedichten van Lewis Carroll waarin het duidelijk gaat om een volwassen vrouw en om seksuele liefde. In die gedichten wordt de lichamelijke liefde genoten en vervolgens versmaad of verloren. Leach wees er ook op dat Dodgson heel lang een druk sociaal leven had geleid en pas later een afkeer had gekregen van wat hij 'vervelende kletspartijen met vervelende mensen' noemde.

Vlak na de dood van Dodgson hebben zijn broers en zusters veel van zijn papieren vernietigd. Van de dertien dagboekdelen die zijn eerste biograaf, zijn neef Stuart Dodgson Collingwood, nog had gezien, verdwenen later vier delen spoorloos. Uit de overgebleven delen waren bladzijden weggescheurd. Er moest kennelijk iets verborgen worden, maar wat?

Bevrijd uit de kinderkamer

Die vier verdwenen dagboekdelen waren uit de tijd waarin Lewis Carroll zijn volwassen liefdesgedichten schreef en waarin hij volgens Collingwood een teleurstelling had ondervonden waarop deze biograaf verder niet inging.

Het was ook de tijd waarin er een breuk was tussen Dodgson en de familie Liddell. Was het omdat de kleine Alice Liddell de liefde van zijn leven was en haar ouders die liefde wat te ver vonden gaan? Dat is vaak gedacht, maar er is weinig grond voor.

Leach speculeert dat er iets anders was, iets dat voor de Victorianen veel aanstootgevender zou zijn: niet de kleine Alice Liddell zou de ongelukkige liefde van Dodgsons leven zijn geweest, maar haar moeder. Dat zou inderdaad een schandaal zijn waarvan de familie graag de sporen zou uitwissen.

Zo ziet iedereen iets anders, niet alleen in het werk, maar ook in het leven van Lewis Carroll. Bij Karoline Leach is hij nog steeds excentriek, maar niet meer de onwereldse dromer van de traditionele biografieën of de gekwelde pedofiel van Dennis Potter. Leach bevrijdt hem uit de kinderkamer en toont hem als een volwassen man met volwassen verlangens. En als de schrijver van twee meesterwerken, wat dat betreft blijft er overeenstemming.