Leren hoe het hoort

De school moet leerlingen helpen opvoeden, vinden docenten en ouders. Over de manier waarop zijn ze het niet eens.

`Ik had een jongen die van achter uit de klas riep `hé, lekker kontje.' Ik zei meteen: `Snotneus, houd je mond'.'' Emilie Resink (24), die lesgeeft op een middelbare school in Arnhem, kijkt haar buurvrouw aan. ``Je kunt er maar beter meteen mee afrekenen vind ik.''

Dat deed Ruud Beerens (24) op zijn middelbare school in Oss ook: ``Vorige week was het een keer heel rumoerig in de klas. Ik heb toen op luide toon gezegd dat ik er genoeg van had en dat ze moesten doen wat ík wilde. Een meisje riep: `Nou meneer, u begint steeds meer op Hitler te lijken'.'' Beerens haalt even diep adem. ``Ik heb haar de klas uitgestuurd en na de les gezegd dat dit echt niet kan. Ik heb ook contact met de ouders opgenomen. Het meisje heeft later haar excuses aangeboden.''

Het is maandagmiddag. Studenten van de postdoctorale opleiding voor docent Nederlands aan de Nijmeegse universiteit hebben een werkcollege over ethiek. Ze komen los na een discussie over een column, waarin een docente beschrijft hoe ze week-in-week-uit vunzigheden over zich heen krijgt en ten slotte de aanstichter een bloedneus slaat. Sinds een paar maanden staan de studenten zelfstandig voor de klas in het kader van hun LIO-stage (leraar in opleiding). Brutale opmerkingen van leerlingen komen hard aan. Over de aanpak ervan verschillen ze van mening. Lieke (25) uit Winterswijk geeft al langer les dan de anderen. ``Ik heb regelmatig kinderen uit het kamp bij ons in de klas. Vorig jaar kon ik er enorm mee zitten als die zo'n toon tegen me aansloegen, maar ze hebben me een keer uitgelegd dat ze het niet slecht bedoelen. Zo praten ze thuis altijd.'' Esther Kapert (25), aspirant-docente in Veghel, reageert: ``Maar je kunt daar toch geen genoegen mee nemen? Je moet ze toch leren hoe het wél moet? Ze moeten straks toch ook gewoon gaan werken? Ik denk dat je ze duidelijk moet maken dat dat gedrag niet door de beugel kan. Dat is jouw taak als docent.''

``Moet je als docent opvoedingstaken van ouders overnemen?'', komt Piet-Hein van de Ven van de docentenopleiding tussenbeide. Emilie Resink schudt haar hoofd. ``Je neemt toch geen taak over van een ouder? Je hebt gewoon je eigen taak als docent. Je runt een minisamenleving. Je moet leerlingen leren hoe ze met elkaar horen om te gaan, dat ze respect moeten hebben voor elkaar.''

Docenten krijgen meer opvoedkundige taken op hun bord. Want ouders hebben geen tijd meer voor hun kinderen, die ook nog lastiger zijn dan ooit. De klacht is veel gehoord, maar Piet-Hein van de Ven, meer dan 25 jaar bij de Nijmeegse universitaire opleiding voor docent Nederlands, gelooft niet dat er zoveel is veranderd. Docenten voeden altijd al op, zegt hij, nu niet meer dan vroeger. Van de Ven geeft al een kwart eeuw les over opvoedkundige onderwerpen aan aspirant-docenten Nederlands. Zo laat hij zijn pupillen een les voorbereiden waarin ze in hun eigen klas een discussie moeten losmaken over ongehoorzaamheid. Judith Kesler (24), docente op een gymnasium in Nijmegen, gebruikt daarvoor een negentiende-eeuws boek over Piet de Smeerpoets, een ondeugende jongen die buitensporig hoge straffen krijgt van z'n ouders. ``Ik wil de leerlingen na het lezen vragen hoe zij zouden hebben gehandeld als ouder. En of het altijd zinnig is om je ouders te gehoorzamen.''

giphardt

Opvoeden doe je niet alleen door leerlingen te wijzen op onbehoorlijk gedrag, maar ook via de inhoud van je vak, zegt Van de Ven. ``Taal en literatuur gaan over wereldzaken: over de holocaust, over seksualiteit, over ongehoorzaamheid. Ethische thema's sluipen vanzelf je klas binnen door de onderwerpen die je aan de orde stelt. Wat doe je met Giphardt in je klas, wat doe je met hoofddoekjes in de klas. Je maakt als docent voortdurend keuzes en ik denk dat het belangrijk is dat je je keuzes ook kunt verantwoorden.''

De school voedt altijd al op, zegt ook Wiel Veugelers, docent aan de lerarenopleiding van de Universiteit van Amsterdam en bijzonder hoogleraar educatie aan de Universiteit voor Humanistiek. ``Opvoeden is meer dan het corrigeren van slecht gedrag. Opvoeden is je leerlingen voorbereiden op hun rol in de maatschappij. Dat doe je door ze aan te spreken op hun gedrag én via de leerstof.'' Veugelers inventariseerde samen met Ewoud de Kat van het SCO-Kohnstamm Instituut de meningen van ouders, docenten en leerlingen over de opvoedende taak van het openbaar onderwijs. Afgelopen maart brachten ze rapport uit.

Ook in dit onderzoek komen docenten aan het woord die vinden dat ouders in de opvoeding steken laten vallen. Maar ouders wijzen op hun beurt ook op tekortkomingen van leraren. ``Docenten en ouders hebben nu eenmaal nogal snel de neiging elkaar ergens de schuld van te geven'', zegt Veugelers.

Ouders en docenten zijn het er wél over eens dat de school een opvoedende taak heeft. Veugelers zelf vindt een apart vak over burgerschapsvorming op z'n plaats. ``Er wordt steeds gezegd dat we meer aandacht moeten hebben voor bètavakken, maar ik vind de sociale vakken in Nederland onderbelicht, zeker in de onderbouw van ons voortgezet onderwijs. De ons omringende landen hebben in hun onderwijs veel meer aandacht voor persoonlijke en maatschappelijke ontwikkelingen. Denk aan een vak als `citizenship education' in Engeland, `Lebenskunde' in Duitsland of `niet-confessionele zedenleer' in België.''

Ook minister Van der Hoeven (Onderwijs) vindt dat scholen meer aandacht moeten besteden aan burgerschapsvorming. Hoe ze dat doen, laat ze over aan de scholen. Die moeten daarbij vooral ouders betrekken, adviseert Veugelers. Want welke waarden en normen de school moet bijbrengen, daarover verschillen docenten en ouders van mening. Uit het onderzoek van Veugelers en De Kat blijkt dat ouders er een andere rangorde op na houden dan docenten. Ouders vinden bijvoorbeeld dat de school hun kind moet leren om voor zichzelf op te komen. Maar docenten vinden het belangrijker dat leerlingen leren om rekening te houden met anderen. Ouders vinden het belangrijk dat hun kind een eigen mening leert vormen, los van die van vrienden. Docenten vinden het juist belangrijker dat leerlingen oog hebben voor de mening van anderen. Ouders stellen het belang van hun kind steeds voorop, docenten het belang van de groep.

verschillen

Het rapport van onderwijsadviesbureau KPC Groep over de opvoedende rol van de school (2003) bracht ook al opvallende verschillen tussen ouders en docenten aan het licht. Zo vonden de ondervraagde docenten vrijwel unaniem dat de school de juiste normen en waarden hanteert met betrekking tot de opvoeding van leerlingen. Bijna de helft van de ouders was het daar niet mee eens.

Docenten en ouders denken dus anders over de manier waarop de school moet opvoeden. ``Dat is een lastig punt'', zegt Veugelers. Voor een vak als burgerschapsvorming betekent het dat de school niet één visie op goed burgerschap moet gaan verkondigen, vindt hij. ``Het is belangrijk dat docenten duidelijk zijn in wat ze een goede burger vinden, maar ze moeten wel ruimte laten voor andere invullingen. De school zal meer dan bij andere vakken moeten communiceren met ouders over de inhoud. Ze zouden ouders ook kunnen betrekken bij de invulling van het vak, bijvoorbeeld door vaders of moeders met maatschappelijke functies in te zetten als gastdocent.''

Uit het onderzoek van Veugelers en De Kat blijkt overigens dat de leerlingen zelf weinig willen weten van een opvoedende taak van de school. De school moet zich vooral niet teveel bemoeien met hun persoonlijke ontwikkeling. Wel willen ze in de klas discussiëren over maatschappelijke thema's zoals `seks, drank en drugs'.

De naam Lieke is gefingeerd