Leerkrachten geven verlegen kinderen geen extra steun

Leerkrachten geven verlegen kleuters (kinderen van vijf of zes jaar oud) nauwelijks extra ondersteuning. Dat concludeert psycholoog en pedagoog Jochem Thijs op basis van een onderzoek in 39 klassen van groep 2 van de basisschool. Thijs promoveerde vorige week aan de Universiteit van Amsterdam. Hij constateerde dat leraren zelf aangeven dat zij zeer drukke en zeer verlegen kinderen in hun klas meer aandacht geven. In de praktijk is er alleen extra aandacht voor de drukke kinderen.

Eerder onderzoek, van de Amerikaanse psycholoog Kenneth Rubin, heeft volgens Thijs aangetoond dat verlegen of angstig teruggetrokken kleuters in sociaal-emotioneel opzicht `risico lopen'. Daarmee wordt bedoeld dat deze kinderen op latere leeftijd een grotere kans hebben op problemen zoals angst, onzekerheid en afhankelijkheid.

Thijs sondeerde de verlegenheid van in totaal 487 kleuters in 39 klassen door leerkrachten vragenlijsten voor te leggen. De leerkrachten moesten daarop aangeven in hoeverre kwalificaties van toepassing waren als `zegt niets uit zichzelf' of `probeert belangstelling te mijden'. Op basis van deze peiling selecteerde Thijs in elke klas het meest verlegen kind, het minst verlegen kind en een kind daar precies tussenin.

De 117 kinderen werden onderworpen aan een vervolgstudie die op video werd vastgelegd. De kinderen kregen in groepjes van telkens drie maximaal een uur de tijd om een puzzel op te lossen. Thijs turfde om de tien seconden welk kind op welke momenten aandacht kreeg. Zo werd duidelijk dat de drukke kinderen extra aandacht kregen, maar de verlegen kinderen juist minder dan gemiddeld.

Thijs maakte in zijn onderzoek een aanvullend onderscheid tussen solitaire en verlegen kinderen. Beide kinderen vertonen teruggetrokken gedrag, maar alleen de tweede categorie mijdt anderen uit angst of onzekerheid. Die laatste vorm van teruggetrokkenheid is volgens Thijs het meest schadelijk. Een vervolgexperiment toonde niettemin aan dat de leerkrachten de solitaire kinderen extra ondersteunden, maar de verlegen kinderen niet.

In een trainingsprogramma heeft Thijs geprobeerd leraren bij te brengen hoe zij hun relatie met verlegen kinderen kunnen verbeteren. De training werkte op het eerste oog averechts: leraren die een training ondergingen waren relatief minder positief over de relatie met `hun' verlegen kinderen. Thijs interpreteert dit resultaat niet negatief. Hij vermoedt dat leraren die een cursus kregen niet meer problemen kregen met verlegen kinderen, maar wel dat zij zich bewuster werden van eventuele problemen.