Late Neanderthaler was erg mobiel, blijkt uit dijbeen

In een grot in Frankrijk is een deel van een dijbeen van een Neanderthaler gevonden, die ca. 40.000 jaar geleden (volgens de C14-dateringsmethode) moet hebben geleefd. Er zijn weinig botten uit deze late periode overgeleverd, de laatste Neanderthalers leefden ca. 25.000 jaar geleden in Spanje. Uit verdikkingen op dit bot uit de Les Rochers-de-villeneuve (bij Vienne) wordt afgeleid dat deze Neanderthaler een mobieler bestaan leidde dan eerdere Neanderthalers: dus veel vaker en langer liep (of rende) dan eerder levende Neanderthalers. De uitvoerige analyse van het bot, door een team van maar liefst zeventien onderzoekers, is gepubliceerd in de Proceedings of the National Academy of Sciences (USA), in de online editie van 2 mei.

Een ander laat Neanderthal-bot (ca. 38.000 jaar oud) komt uit het nabijgelegen Roche-à-Pierrot en dat vertoont opvallend genoeg hetzelfde `mobiele' gebruikspatroon. Traditioneel wordt grotere mobiliteit als een typisch kenmerk van de eerste moderne mensen in Europa gezien (de Cro-Magnons, vanaf ca. 40.000 jaar geleden), maar deze botten vormt dus een belangrijke aanwijzing dat de late Neanderthalers al vergelijkbare gedragspatronen vertoonden. In dezelfde tijd maakten Neanderthalers ook al `moderne' werktuigen (het zogeheten Chatelperonnien), een onderwerp van veel discussie onder paleontologen. Sommigen ontkennen zelfs dat ze door Neanderthalers kunnen zijn gemaakt. Volgens de meeste onderzoekers ontstond deze `moderne' Neanderthalstijl door imitatie, maar een klein aantal meent dat deze vernieuwing in het gereedschapsgebruik een originele Neanderthal-ontwikkeling is, al dan niet in reactie op de komst van de nieuwe verwante mensensoort Homo sapiens.

Er werkten zoveel onderzoekers mee aan de analyse van het in 2002 gevonden bot uit Les Rochers-de-Villeneuve omdat het bot niet alleen anatomisch maar ook genetisch is onderzocht. De genetici uit het lab van Svante Pääbo in Leipzig wisten uit het stokoude botmateriaal een stukje mitochondriaal DNA van ongeveer 30 baseparen te isoleren, met daarin drie typische Neanderthal-afwijkingen van het moderne-menselijke patroon. De DNA-analyse werd mede verricht om zeker te zijn dat het hier een Neanderthal-bot betreft.

Archeologen concludeerden verder uit onderzoek van de grot zelf dat deze bewoond werd door Neanderthalers en hyena's. Vooral hyena, want slechts in 5 procent van het bestudeerde oppervlak werden stenen werktuigen van de Neanderthalers teruggevonden, terwijl vrijwel overal versteende uitwerpselen (coprolieten) en gewisselde tanden van de hyena's lagen. Ze hadden direct met elkaar te maken. Want niet alleen hebben 40.000 jaar geleden mens en dier hun resten in dezelfde aardlaag achtergelaten (maar dat hoeft geen gelijktijdigheid te zijn), ze aten ook van hetzelfde dier. Op sommige botten van prooidieren die in grot gevonden zijn (paarden, bisons), zijn sporen van hyenatanden èn van Neanderthalmessen gevonden. Op één bot loopt het tandenspoor óver de kerf van het Neanderthalermes, zodat het in ieder geval niet altijd zo is dat de mensen het vlees van de hyena's stalen. Zo dicht zaten de twee op elkaars lip dat zelfs op het nu gevonden Neanderthalerbot sporen van hyenatanden zijn gevonden. Volgens de onderzoekers waren hyena's en Neanderthalers waarschijnlijk elkaars directe voedselconcurrenten.