Kroniek uit de barak van het Sonderkommando - het gaat om meer dan lijfsbehoud

De joodse gevangenen die in de Duitse concentratiekampen gedwongen werden bij de gaskamers en de crematoria te werken, stonden en staan in een kwade reuk. De waarheid is ingewikkelder dan het oordeel. Over wanhoop, overlevingsdrang en geschiedschrijving.

Op 17 oktober 1962 werd vlakbij Krematorium III in Birkenau een weckfles gevonden met daarin opgerold een schrift met 75 ongenummerde blaadjes, die door vocht slechts voor een deel leesbaar waren. Tussen 1945 en 1980 zijn er onder de as van Birkenau verschillende documenten in potten en flessen opgegraven; er schijnt zelfs een bus gebruikt te zijn waarin Zyklon-B had gezeten. De kroniek, waaruit ik hier enkele stukjes heb vertaald, is waarschijnlijk geschreven door Zalmen Lewental uit Ciechanow in Polen. Op 10 december 1942 kwam hij uit het doorgangskamp Malkinia naar Auschwitz. Alle andere gezinsleden werden dezelfde dag nog vergast, hij zelf werd begin '43 bij het Sonderkommando ingedeeld dat bij de gaskamers, de crematoria en de verbrandingskuilen het vuile werk moest opknappen. Lewental zou nauw betrokken raken bij de voorbereidingen van de gewapende opstand, die op 7 oktober 1944 bij Krematorium IV plaatsvond. Vergeefs had het van de rest van Auschwitz geïsoleerde Sonderkommando gewacht op een sein van de verzetsorganisatie in en buiten Auschwitz; ze wisten dat elke dag voor hen de laatste kon zijn en voelden zich verraden. Naar die ingewikkelde situatie verwijzen maar enkele zinnen in dit fragment.

De datum onder het manuscript – 10.10.1944 – is de laatste waarop van Lewental iets bekend is; waarschijnlijk is hij eind november vermoord, 26 jaar oud. Zijn kroniek heeft hij grotendeels in de maanden vóór de opstand geschreven. Over de tijd ervoor is het verslag summier, het gaat vooral over de vergassing en verbranding – in die tijd waren dat transporten uit Lodz en Hongarije – én het aandeel van de Sonderkommando's, hoofdzakelijk joodse jongens die speciaal om hun lichaamskracht werden uitgekozen, onder het mom dat ze elders gingen werken. De meesten werden na enkele maanden vermoord. Van de duizend Sonderkommando's die in september 1944 in Birkenau slavenwerk deden, waren er bij de evacuatie in januari 1945 negentig over.

Het is hachelijk stukjes te kiezen uit een halfvergaan manuscript, waarvan de volgorde niet zeker is en de tekst gaten vertoont. Wat schrijft Lewental niet: geen dagboek over persoonlijke belevenissen, geen herinneringen aan de jodenvervolging, het getto en het transport, evenmin is zijn kroniek bedoeld als bericht over de massale jodenvernietiging. Hij vertelt over het duivelswerk waartoe de Sonderkommando's gedwongen werden, en dat allerminst met de bedoeling iets goed te praten.

Nee, hij heeft de geestesverwarring willen laten zien van mensen die tot dit onterende werk gedwongen werden. Een typerend detail is dat de Sonderkommando's alles rennend moesten doen – om dezelfde reden als nieuwe transporten in Treblinka hardlopend over een kronkelpad naar de gaskamers gingen – zodat ze niet konden denken, zich niet konden bedenken, laat staan op de gedachte kwamen weerstand te bieden. Automaten waren ze; homunculi zou een andere kroniekschrijver zeggen. De tragedie begon, schrijft Lewental, als ze na zo'n corvee van twaalf uur in hun barak lagen uit te rusten: ,,Dat is wat wij in die tijd gedacht hebben.'' Hij voorzag dat psychologen daarmee de grootste problemen zouden hebben; wat de feiten betreft moesten historici zelf maar hun materiaal verzamelen. Over leven en werk van de Sonderkommando's konden alleen zijzelf iets zeggen. Lewental deed dat in een wanhopige poging te begrijpen wat er met hen gebeurde. Hij verheelt niet dat enkelen van hen zichzelf compleet vergaten; ook niet dat sommigen sterker van geest waren.

De lezer mag geen moment vergeten dat hij deze gedachten ter plaatse zelf noteerde, 's avonds in de barak. In het beroep dat hij op psychologen doet, spreekt de geest van de tijd (denk aan De vreemdeling van Camus): individuen waren maar voor een gering deel verantwoordelijk – dus aansprakelijk – voor wat ze deden. Van buitenaf was er de SS-staat die in Birkenau ,,kadavers fabriceerde'' (Hanna Arendt; ook Lewental heeft het over ,,de fabriek''), van binnenuit was een mens overgeleverd aan driften en instincten. Niet zonder verbazing tekent Lewental in de hier vertaalde passages aan dat zelfs zij nog gedreven werden door de wil tot leven – wat nog niet hetzelfde is als louter lijfsbehoud – én dat zelfs voor zichzelf nauwelijks wilden toegeven. Voor Elie Wiesel bestaat kampliteratuur uit getuigenissen: klachten en aanklachten, gedachtenis en symbolische gebaren van ten dode gewijde slachtoffers. De schrijvers van de flessenpost in Birkenau wilden veel meer: ze wilden begrijpen, vertellen, laten zien.

Daarmee kom ik op de merkwaardige geschiedenis van deze kronieken. De teksten zijn sinds de jaren '70 vertaald, bij gedeelten en in verspreide uitgaven, maar hebben nooit veel aandacht gekregen; pas sinds kort is er ook oog voor de literaire kwaliteiten ervan. Die ambitie had Lewental niet; anderen zoals Zalmen Gradowski en Lejb Langfus hadden die wel. Zij schreven soms lange brieven. Waarom is die post nooit aangekomen? Ik denk omdat de teksten besmet waren – omdat ze in dezelfde kwade reuk stonden als de schrijvers ervan. De mannen die halve dagen bij de gaskamers en verbrandingsovens of brandstapels buiten werkten stonken, zagen zwart van de rook en het roet, schreeuwden, renden als bezeten. De glimpen die men zag waren die van baarlijke duivels. Zo hebben diverse oog- en vooral oorgetuigen ze afgeschilderd.

Het op uiterlijk en functie gebaseerde oordeel beklijfde vermoedelijk des te beter omdat daarmee het beeld bevestigd werd van joden die bereid waren andere joden te vermoorden; aan welk idee Bruno Bettelheim het zijne heeft bijgedragen. Ook Primo Levi had het in een medisch rapport van 1946 over ,,wilde beesten'' die een walgelijke geur verspreidden, geselecteerd uit ,,de ergste misdadigers die voor bloederige misdrijven veroordeeld waren''. In zijn laatste boek, De verdronkenen en geredden, lijkt hij zijn beeld iets te nuanceren, maar daar maakt de Nederlandse vertaling van de Sonderkommando's ,,een extreem geval van collaboratie'' van, terwijl Levi ze een ,,grensgeval'' noemt. De vertaalfout bewijst dat áls men al een beeld van het Sonderkommando had, dit vooral negatief was. De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben citeerde zinnen van de hier vertaalde kroniek van Lewental als bewijs door welke lage motieven degenen gedreven werden die zeiden te hebben willen overleven om getuigenis af te leggen. Wat is lager dan louter het zelfzuchtig streven naar lijfsbehoud? De Sonderkommando's zijn niet gered, en de schrijvers van de kronieken wisten dat al toen ze schreven.

Schrijver, dichter en vertaler. Hij bereidt een boek over kampliteratuur voor.

De complete tekst van Zalmen Lewental is gepubliceerd in `Inmitten des grauenvollen Verbrechens' (1972) en in `Des voix sous la cendre' (Revue d'histoire de la Shoah, 2001). In september zal een aflevering van het literaire tijdschrift Raster gewijd zijn aan `Flessenpost', met daarin teksten uit Birkenau, Lodz en Warschau. Bij uitgeverij Verbum verschijnt dan een vertaling van de kronieken van Zalmen Gradowski en bij de Bezige Bij van Jacq Vogelaar `Over Kampliteratuur'.

Rectificatie / Gerectificeerd

De complete tekst van Zalmen Lewental, waaraan het artikel Kroniek uit de barak van het Sonderkommando (7 mei, pagina 15) refereert, is gepubliceerd in Inmitten des grauenvollen Verbrechens (1972), in Des voix sous la cendre (2005) en Histoire de la Shoah (1997). In september wordt een aflevering van het literaire tijdschrift Raster gewijd aan `Flessenpost', met daarin teksten uit Birkenau, Lodz en Warschau. De Bezige Bij publiceert in september het boek Over Kampliteratuur van Jacq Vogelaar.