Heimat

Het woord Heimatvertriebene zal mijn moeder nooit in de mond nemen. Het zal ook niet in haar opkomen dat ze nog rechten zou kunnen doen gelden op het grote leraarshuis in het Silezische mijnwerkersdorpje Klausberg (nu het Poolse Mikulczycze), waar ze 81 jaar geleden werd geboren. Van organisaties als de Schlesische Mannschaft moet ze niets hebben. Veel Sileziërs denken er anders over en hebben 60 jaar na de oorlog nog steeds heimwee naar hun geboortegrond, die na de conferentie van Potsdam bij Polen werd ingelijfd.

Zelf is mijn moeder niet van huis en haard verjaagd, maar in 1944 naar Zwitserland gegaan om te genezen van de tbc die ze als tramconductrice in de Arbeitsdienst had opgelopen. Maar haar moeder is gestorven aan de gevolgen van de barre tocht naar Breslau, op de vlucht voor de Russen. En haar broer en vier zussen zijn uiteindelijk in 1949 door de Polen het land uitgezet.

Berooid kwamen ze in West-Duitsland aan, waar niemand op ze zat te wachten.

Mijn moeder zat toen al in Nederland, getrouwd met een Nijmeegse student die ze op de universiteit van het Zwitserse Fribourg had ontmoet. Ze wist niet hoe snel ze Nederlands moest leren, Duitsers waren toen niet erg populair.

Mijn moeder heeft aan haar geschiedenis een levenslange sympathie voor vluchtelingen en vreemdelingen overgehouden. Zo kwam zij in onze jeugd eens thuis met de boomlange Amerikaanse neger Fletcher, die ze in de trein had opgepikt omdat hij blut was en nog drie dagen moest wachten op zijn vliegtuig naar huis. Ze raakte in gesprek met hem omdat hij, afkomstig uit het gesegregeerde Amerika, niet bij haar in de coupé durfde te gaan zitten. Ook nodigde ze eens een eenzame Turk uit wiens vrouw en kinderen in Turkije woonden.

Tien jaar geleden ben ik met haar naar Polen gegaan. Ze vond het een zware reis. De Polen in haar ouderlijk huis lieten ons gastvrij binnen. Mijn moeder voelde zich opgelaten. Voor haar heeft de geschiedenis zijn loop gehad. Zand erover.