Drieduizend liedjes

Op je tiende verjaardag was je oud genoeg geworden voor een Zwitsers zakmes. Dat was toen al, in de jaren dertig (v.d.v.e.) begerenswaardig gereedschap, onmisbaar voor wie zich moedig door het leven wilde slaan. Zo zag het er in ieder geval uit. Alles zat erin, een groot mes en een klein mes, een kurkentrekker, een vijl, een priem, een opwipper voor kroonkurken en nog het een en ander om je uit een noodtoestand te kunnen redden. De afgelopen tachtig tot honderd jaar is vrijwel alles veranderd, zelfs de postmoderne hamer met zijn ergonomische rubber steel lijkt nog maar in de verte op het ding waarmee je destijds de spijker op de kop sloeg. Maar dit zakmes is in zijn oorspronkelijke gedaante blijven bestaan en overal in de beschaafde wereld te koop. Alleen de naam is veranderd. Het heet nu Zwitsers legerzakmes. Zwitserse soldaten zie je alleen als er iets met de Paus gebeurt. Het Zwitserse leger doet hoogst zelden van zich spreken, maar door dit zakmes heeft het zich wereldberoemd gemaakt. En dat het succes duurzaam is, wordt bewezen doordat het telkens weer met andere varianten wordt nagemaakt. Als het op bruikbaarheid aankomt, vind ik de Leatherman veel beter. Maar de Zwitsers hebben de naam, de reputatie, en daar gaat het nu eenmaal om.

Wat is het geheim van dit succes? Het ding is klein en multifunctioneel, je hebt niet zomaar een mes en de rest van deze santenkraam bij je. Je stopt een illusie van almacht in je zak. Daarmee is dit mes de voorloper van al het multifunctionele waarmee we nu steeds dichter tot de totale illusie van almacht naderen. Na het zakmes kwamen de armbandhorloges waarop je kon zien hoe laat het aan de andere kant van de aarde was terwijl je kon timen hoe lang je erover deed om van A naar B te komen, en tegelijkertijd via draadjes met oordopjes naar de radio luisterde. Sommige fabrikanten hadden er ook nog een rekenmachientje ingebouwd. Ontzettend handig. Onweerstaanbaar.

Intussen waren de computers tot ontwikkeling gekomen. Wat je aan het eind van de vorige eeuw met een gemiddelde laptop kon doen, valt al niet meer te beschrijven. Toen kwam het mobieltje of gsm (Global System for Mobile communications) op de markt en werd de digitale camera tot algemene bruikbaarheid bevorderd. Alles werd aan alles gekoppeld en liefst bij elkaar ingebouwd. Hoe lang is het geleden dat de eerste mens met zijn gsm een kiekje maakte en daarna via zijn camera ging telefoneren? Hetzelfde apparaat! Het enige probleem was toen nog de bediening. Je moest er de gebruiksaanwijzing voor lezen. Daar was weer geen touw aan vast te knopen. Het schrijven van begrijpelijke gebruiksaanwijzingen is maar weinigen gegeven; en dit vak wordt moeilijker naarmate de elektronische multifunctionaliteit toeneemt.

De New York Times heeft iedere woensdag een katern, Circuits, waarin de vorderingen van de computerindustrie worden gemeld. Hoeveel is te veel? vraagt in een uitvoerig artikel Steve Lohr zich af. Hij maakt de vergelijking met het Zwitserse legerzakmes en beschrijft een mogelijke nabije toekomst. Maatschappijen als Verizon Wireless en Cingular die de draadloze verbindingen verzorgen, ontwikkelen netwerken die met formidabele snelheid televisie, filmclips, muziek, informatie en e-mail kunnen overbrengen. Tegelijkertijd zijn de fabrikanten van het mobieltje, Nokia, Motorola, Samsung, bezig met het ontwerpen van de volgende generatie multimedia-telefoons. Nokia brengt binnenkort een apparaatje op de markt dat drieduizend muzieknummers kan onthouden, en een andere versie waarmee je een uur video kunt opnemen en bewaren.

De klanten kunnen haast niet wachten. Op het ogenblik hebben 172 miljoen Amerikanen een mobieltje dat ze overal meenemen, en dat zestien uur per dag aan staat. Dat blijkt uit een onderzoek van het reclamebedrijf BBDO. Gevraagd of ze een oproep beantwoorden terwijl ze aan het seksen zijn, antwoordde vijftien procent bevestigend. Reken maar uit, schrijft Lohr.

Ja, maar wat? Je hebt mensen, en niet de eersten de besten, die denken dat met iedere vordering van de techniek het einde van de wereld sneller dichterbij komt. Onze grote wijsgeer Bolland was tegenstander van de damesfiets omdat hij dacht dat `het weke onderlichaam van de vrouw' niet bestand zou zijn tegen het voortdurende schokken tijdens het rijden, waardoor op den duur de mens met uitsterven werd bedreigd. Ik dacht bij het lezen van dit artikel over de nieuwste communicatie aan Montaigne. Hij werkte op de bovenste verdieping van een toren. Met een ouderwetse pen, of misschien nog een ganzenveer heeft hij zijn essays geschreven. Maar het was hem onmogelijk, ook maar een letter op papier te krijgen als hij de treden van de torentrap hoorde kraken onder de voeten van een bezoeker, en meestal was alle bezoek ongewenst.

Wij mensen van de moderniteit worden ieder ogenblik blootgesteld aan de geluiden, beelden en woorden van de communicatie tussen anderen, of pogingen tot communicatie met ons. Soms zijn die pogingen welkom, meestal horen ze tot de onvermijdelijke verschijnselen van het dagelijks leven, en meer en meer denk je: donder op. Zo zitten we in elkaar: tegen iedere bedreiging ontwikkelen we op den duur een verweer. Bovendien is het je vrije keuze, of je wel of geen Nokia met drieduizend liedjes wilt hebben.

Het is als met het Zwitserse legermes, maar dan sterker. De meeste mensen moeten zo'n multifunctioneel telefoontje hebben. Anders voelen ze zich incompleet. En ik begrijp goed dat zo'n ding zijn nut kan hebben. Maar ik ben een reactionair. Ik denk dat je het best kunt snijden met een mes dat uitsluitend daarvoor is gemaakt en dat mutatis mutandis hetzelfde geldt voor een telefoon, draagbaar of niet. Wat eraan wordt toegevoegd, leidt je van de hoofdzaak af, voegt meer onzin toe. Zoals we dagelijks horen en zien.