Bizarre nieuwe dinosoort in Utah is verwant van T-Rex

Falcarius utahensis, een bizarre nieuwe dinosoort met grote klauwen, is waarschijnlijk een plantenetende verwant van vleeseters als Velociraptor en Tyrannosaurus rex. Volgens paleontoloog James Kirkland is de primitieve therizinosaurus-achtige, gevonden in Utah, een tussenvorm in de evolutie van tweebenige vleesetende dino's naar therizinosaurussen, tweebenige planteneters. Tot op heden beschouwden paleontologen Azië als de evolutionaire bakermat van therizinosaurussen. De ontdekking van deze vroege therizinosaurussoort in Amerika weerspreekt die hypothese (Nature, 4 mei).

Therizinosaurussen behoren tot een groep (de maniraptoren) waaruit later de moderne vogels zouden ontstaan. Op de Falcarius-fossielen zijn geen veren aangetroffen, die blijven zelden bewaard. Veren zijn eerder wel gevonden op fossielen van nauwe verwanten van Falcarius die in China onder uitzonderlijke omstandigheden bewaard zijn gebleven. De paleontologen gaan er van uit dat de dinosaurus bedekt was met haarachtige `protoveren' al dan niet voorzien van een schacht.

Falcarius betekent sikkelmaker, een verwijzing naar de vorm van de tien centimeter lange klauwen van het dier. De enorme klauwen deelt Falcarius met Therizinosaurus (in 1954 ontdekt in de Gobiwoestijn) een qua vorm struisvogelachtige dino ter grootte van een olifant. Paleontologen zien een parallel met de enorme klauwen van de uitgestorven reuzenluiaard. Mogelijk dienden deze klauwen om bladeren naar de bek te brengen.

Als volwassen dier was Falcarius 4,5 meter lang (van kop tot staart) en 1,40 meter hoog. Hij leefde in het vroege Krijt (circa 125 miljoen jaar geleden). Na drie jaar graven op een vindplaats ten zuiden van het stadje Green River in centraal Utah hebben de paleontologen 90 procent van het Falcariusskelet compleet. De paleontologen weten niet helemaal zeker of het dier planten at of vlees. Duidelijk is wel dat Falcarius een aantal bladvormige tanden had die meer geschikt lijken voor het vermalen van planten dan voor het snijden van vlees. Het bekken was wijder dan dat van vleesetende verwanten; dat wijst op een groter darmkanaal, geschikt voor de vertering van planten. De onderbenen van Falcarius waren kort en dik, mogelijk omdat het dier als planteneter niet genoodzaakt was om prooidieren te achtervolgen.