Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

In de donkere nacht rijd ik door de heuvels van Somogy. Aan het stuur zit Miklós, de jonge timmerman die meubilair voor ons opknapt, een van de schaarse trouwe krachten die ik aan de Boedapester verbouwing heb overgehouden. Op de rechte stukken en heuvelafwaarts halen we 90 kilometer per uur, heuvel op valt de teller terug tot 30 kilometer. De motor raast, alleen schreeuwend kunnen we communiceren. Achterin Miklós's oude bus klappert een partij boerenkasten op en neer als de tanden van Charon.

Miklós' moeder woont in Nürnberg, zijn vader is ambulancechauffeur in Boedapest. Op zijn veertiende is hij uit huis gegaan naar de timmerschool in Sopron. In de weekends timmerde hij zijn levensonderhoud bij elkaar. Hij is zesentwintig nu en werkt zich het leplazerus. Hij heeft de kast getimmerd voor de waaiers van de 11de september. Op een dag toen hij bij ons in Boedapest aan het klussen was dwaalde er iemand door de tuin. Miklós' geestelijk gehandicapte zusje logeerde drie weken bij hem. Ze was verlegen en staarde eindeloos naar beneden, in een bloemperk. Sinds die dag heb ik een zwak voor hem.

We stoppen bij een benzinepomp. Miklós probeert het raam achter de bestuurdersstoel te herstellen waardoor het orkanische geweld in de cabine moet afnemen. Het lukt niet. Ik koop wat te drinken voor ons. Miklós vertelt dat hij eerst altijd vers sap kocht maar 300 forint (1,20 euro) per liter is te duur voor hem. Nu maakt hij thee met veel citroen. ,,Ook vitamine C.''

In alle dorpen waar we doorheen rijden zijn de luiken potdicht, heel Somogy lijkt te slapen. In de berm sluipen vossen met oplichtende ogen. Als we ons dorp binnenrijden worden we begroet door Béla. Kati, de vrouw van de paardenman András, laat me de kuikentjes zien die die dag geboren zijn. Ze scharrelen rond onder een knoert van een bouwlamp. Julia, de vrouw van Béla, András, Kati: allemaal helpen ze met tillen. Ik zeg dat ze moeten gaan slapen, maar ze zijn onvermurwbaar in hun hulp, bovendien: niemand gaat slapen die nacht want er is een vos die gevangen moet worden. De nacht daarvoor is er een kip gepakt.

Op de plek waar de vos onder het hek is doorgeworsteld is een boomstam neergelegd. Béla heeft twee grote zwarte honden bij zich. Zij gaan de vos verscheuren zodra die terugkeert naar plaats delict. Béla en de honden zullen de wacht gaan houden. Het vangen van de vos is een sociaal project van de hoogste prioriteit. ,,Twee nachten nog en de vos is dood'', zegt Julia.

De volgende stralende ochtend blijkt de vos niet gegrepen. Julia zit op een steen en speelt met de vierjarige Akos. Béla sleept in blote bast als een prehistorische eekhoorn oude balken naar een hoek van het terrein. Iedereen stookt op hout, er is geen gasleiding in het dorp. De ganzen lopen met opgeheven hoofd alsof ze willen aangeven dat het een vergissing is dat ze in één ren leven met die zenuwpezerige kippen. Ons schaap drentelt rond tussen stapels oude bakstenen. Nu het eindelijk voorjaar is en het groen in noodtempo tevoorschijn schiet ziet het bouwterrein er niet langer uit als de set van een Joegoslavische oorlogsfilm.

In de verte klinkt een koekoek. Laag door de straat vliegt onhandig een ooievaar. Ik heb de aannemer verteld dat de laatste betaling pas wordt uitgevoerd als we een broedende ooievaar op het dak hebben. Tijdens de bouwvergadering wordt veertig minuten gediscussieerd over hoe de stalen ring aan de schoorsteen te bevestigen. Een ooievaar met nest, jongen en stront weegt gauw 300 kilo.

In de donkere nacht rijd ik door de heuvels van Somogy. Aan het stuur zit Geza, onze lange architect met Romanov-achtige baard. Uit de CD-speler klinkt `I can't get no satisfaction' – The Rolling Stones live at The Royal Albert Hall. Het mooiste van de cd is het hysterische gegil van de honderden meisjes tussen de nummers door. Het houdt aan als Hollandse regen.

Geza vertelt dat zij intensief naar de muziek van The Stones luisterden maar niet wisten waar de liedjes over gingen. Achter het IJzeren Gordijn werd geen Engels onderricht. Ze konden er al hun dromen op projecteren. ,,Er is een Hongaarse film'', vertelt Geza: ,,Met daarin een simpele man, zoiets als Béla, die als scheldwoord Getno gebruikt. Te pas en te onpas schreeuwt hij Getno! Ik wist ook niet dat dat twee woorden waren.''

Als we samen van Boedapest naar Somogy reizen, en dat doen we eens in de week – hij helpt bij de begeleiding van de bouw – dan nemen we op de heenweg de bouw van de boerderij door en op de terugweg het Hongaarse leven. We hebben het over de gokverslaving van de steenhouwer, over de schulden van de electriciën, we vragen ons af waar de donkere parel van banketbakkerij Szamos is gebleven, Geza vertelt over het mooie Hongaars dat de Hongaren in Transsylvannië spreken, over de mediamagnaat die na de val van de muur zijn imperium startte door in Amerikaanse hotelkamers films te kopiëren en illegale kopieën in Hongarije te verkopen.

We stoppen in de bocht van de weg bij visvijvers met een klein houten uitspanning `Nonstop Parkolo Büfé' waar aan een loket drank en eten wordt verkocht. Het is een volkomen heldere nacht. Als we uitstappen horen we de oorverdovende resonantie van tienduizenden uit volle borst kwakende kikkers.

,,Waarom kwaken ze zo hard?'', vraag ik.

,,Zo communiceren ze'', antwoordt Geza.

,,Het lijkt me dat zij zichzelf herhalen.''

,,Dat vinden zij vast ook van ons.''

Als we even later weer rijden moet Geza uitwijken voor een grote dode hond die aan de rand van de weg ligt. In de koplampen van de auto zien we de vos die er aan zat te vreten, wegspringen.