Zijn zij gedoemd op te lossen?

Temidden van het vele dat deze maand (zestig jaar bevrijding!) verschijnt over de Tweede Wereldoorlog, zou Een jongen uit plan Zuid '38-'43 niet verloren mogen gaan. Gelukkig is de kans daarop niet erg groot, ondanks de geringe omvang, aangezien dit boekje de eerste substantiële publicatie sinds tijden is van Heere Heeresma.

Met deze schrijver is iets merkwaardigs aan de hand: zijn reputatie is veel groter dan zijn oeuvre rechtvaardigt. Hij werd bekend in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, onder andere met de – nog altijd – meesterlijke vertelling Een dagje naar het strand, met de allegorische roman De vis en met hilarisch maar ook tamelijk melig proza als Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp en Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming. Daarna volgden nog tal van boeken, vaak voorzien van dol-komisch bedoelde titels, die er geen van alle in slaagden dat vroegere werk in de schaduw te stellen.

Eén titel werd alleen maar aangekondigd, Kaddish voor een buurt, zonder dat het bijbehorende boek ooit verscheen. Het lijkt erop dat dat laatste nu alsnog is gebeurd, zij het onder een andere titel. In Een jongen uit plan Zuid '38-'43 vinden we hetgeen die eerdere titel beloofde: een soort `gebed' in geserreerd proza voor deze Amsterdamse buurt, waaruit de ziel verdween toen tijdens de bezetting de joodse bewoners werden weggevoerd. Heeresma (geboren in 1932) gedenkt hen als de jongen die hij toen was. Zijn boek, waarvan nu het eerste deel is uitgekomen, bestaat uit een mozaïek van herinneringen, een samenstel van beelden en taferelen, vaak niet langer dan een alinea, waaruit zij even oplichten.

Met naam en toenaam worden zij gememoreerd: zijn vriendje Eli, bij wie de jonge Heere thuis `sjabbes' mag komen vieren, de ondergedoken meneer Vijg die altijd honger heeft, de invalster op school, juffrouw De Wilde, die opeens met een gele ster op haar kleding verschijnt en weer verdwijnt, de student Johan Hiegentlich die bij de Heeresma's ondergedoken zit, Roza (`Soesje') Taitelbaum die Kant en Schopenhauer leest en met Heere wil trouwen om een veilige naam op haar voordeur te krijgen, de familie Ansinger, de buren Gomperts, en al die anderen. Over de meesten valt niet veel bijzonders te vertellen, behalve dan dat ze joods waren en dat ze zijn verdwenen. `Zijn de joodse mensen die mijn naam kennen soms gedoemd op te lossen? Dan moet ik ze voor hun veiligheid uit me bannen', denkt de verteller in zijn naïviteit. In werkelijkheid heeft hij precies het omgekeerde gedaan: de herinnering aan hen is altijd bij hem gebleven.

Al in Een dagje naar het strand (1962) vindt de liederlijke, alcoholistische hoofdpersoon het een `onverwacht compliment', als hij voor een jood wordt aangezien. In Een jongen uit plan Zuid '38-'43 zien we waar die reactie vandaan komt. Over de verteller lezen we dat hij `een beetje een joods koppie' heeft. We lezen over de `warmte' en `hartelijkheid' bij de joodse families waar hij over de vloer kwam en bij het joodse publiek in manege en speeltuin Minerva aan de Apollolaan. De joodse wereld, vreemd en tegelijk vertrouwd, fascineert de jonge Heere, die door een onderwijzer de klas uit wordt gestuurd omdat hij een `jodenwoord' heeft gebruikt. In deze tekst doet hij het af en toe nog steeds. Geen wonder, want over zijn straf op school is hij achteraf trots, net als zijn vader aan wie hij over het voorval vertelt.

Deze vader zou je het tweede onderwerp van dit boek kunnen noemen. Het lijkt evenzeer geschreven om hém te gedenken als al die verdwenen joodse buurtgenoten, want uit het verhaal kunnen we opmaken dat vader Heeresma de oorlog evenmin heeft overleefd. Ik neem aan dat we hierover meer zullen vernemen in het volgende deel, dat is aangekondigd voor de tweede helft van 2005. Nu wordt al wel duidelijk hoe groot de liefde en de bewondering van de zoon voor zijn vader moeten zijn geweest.

`Ik leef in de schaduw van mijn boomgrote vader', zegt de verteller, die overigens niet te beroerd blijkt om met de zonen van de `foute' slager Roelofzen naar een Duitse boksmatch in het Olympisch Stadion te gaan. Ook van de Duitsers gaat een onmiskenbare fascinatie uit, en niet alleen van hun `legeruitrusting', zoals ergens staat; Hitlers soldaten, anders dan Musserts WA-mannen, imponeren de verteller, als hij ze op straat ziet marcheren.

Dit ontzag voor de Duitsers maakt de figuur van de vader (een soort evangelist, die `voordrachten' houdt en `bijbelkringen' organiseert) alleen maar groter, want van de bezetting lijkt hij, althans in de idolate ogen van zijn zoon, geen hinder te hebben. Hij trekt zich nergens iets van aan, weet altijd raad en helpt de joden in nood. Zo krijgt hij welhaast bovenmenselijke allure, maar dat staat de vertrouwelijke omgang met zijn zoon geenszins in de weg.

De zoon beschrijft hem achteraf, met zijn `zwarte flambard, die hem zowel iets joyeus als wijsgerigs geeft', als `een denker die er niet tegen opziet een ijsje te eten'. In de schaduw van papa is het veilig toeven. Alles deugt aan deze gigant. Dat blijkt ook uit het volgende verrassende zinnetje (het gaat om de beschrijving van een kantoorboekhandel annex postkantoor): `In de winkel hing de goede geur zoals in de bureauladen van mijn vader'.

Toch ligt de nadruk op de verdwijnende joden, wier definitieve vertrek uit Amsterdam de verteller gadeslaat in de laatste scène van het boek, waar hij de `gesterden' met een voor hem onbegrijpelijke lijdzaamheid in de trein ziet stappen. Het beeld van de gesloten wagons inspireert Heeresma tot een mooie slotzin: `En ineens wéét ik het – al wist ik toen nog niet wat'. Dat is, hoewel volkomen anders, bijna zo goed als het magistrale slot van Gerard Reve's De ondergang van de familie Boslowits, een van de allerbeste verhalen die in Nederland over de jodenvervolging zijn geschreven.

Als geheel kan dit eerste deel van Een jongen uit plan Zuid '38-'43 niet tegen de novelle van Reve op. Maar dat hoeft ook niet: binnen zijn eigen even bescheiden als respectvolle opzet is Heeresma's nieuwe boek, waarin flauwiteiten zorgvuldig zijn vermeden, geslaagd genoeg.

Heere Heeresma: Een jongen uit plan Zuid '38-'43. De Arbeiderpers, 121 blz. €12,50