Totale democratisering

Rupert Murdoch, president van het wereldmediaconcern NewsCorp, verbaast zich er niet over dat steeds meer jonge mensen geen krant meer lezen. 'Ze willen niet langer vertrouwen op die mensen die met de allure van goden van hun Olympus af vertellen wat belangrijk is en wat niet. En zeker willen ze het nieuws niet voorgeschoteld te krijgen als een evangelie.' De dagbladondernemers hebben het nog niet begrepen. Ze worden geconfronteerd met de nieuwe werkelijkheid van internet en ze blijven zich met een ongelofelijke gemakzucht gedragen. De redacties moeten niet meer die belerende toon aanslaan; niet ervan uitgaan dat het publiek dom is. Ze moeten internetwijs worden, het gesprek met de lezer aangaan, zoals dat op de weblogs, de blogs gebeurt. Aldus Murdoch in een toespraak voor de American Society of Newspaper Editors. The Economist van 23 april heeft er een pagina aan gewijd. We wisten het wel, maar het wordt anders als Murdoch het zegt. Dit zou weleens de dag kunnen zijn waarop de duffe dagbladindustrie officieel wakker wordt en het nieuwe tijdperk van internet ontdekt, schrijft The Economist.

Zou het? Ik beschouw dit weekblad als het meest eigenwijze dat waar dan ook van de drukpers komt. Het is goed geïnformeerd, goed geschreven, het beredeneert zijn conclusies en in zijn meningen kan het een olympische allure hebben alsof Brittania nog de wereldzeeën regeert en de redactie daarvoor de bindende aanwijzingen geeft. Het is het enige blad dat met enige regelmaat buitenlandse staatshoofden en ministers afzet. Zo is het indertijd Bill Clinton vergaan, daarna Sylvio Berlusconi en niet lang geleden nog Donald Rumsfeld na de ontdekking van de martelingen in de Abu Ghraib-gevangenis. Je kunt het ermee eens zijn of niet, het heeft zijn charme. En het heeft de oplage geen kwaad gedaan.

Maar het is waar wat Murdoch zegt: de krant beleeft weer een crisis. Het is de eerste niet. De journalistiek heeft bij het publiek nooit een smetteloze reputatie gehad. In zijn essay Politik als Beruf (1919) citeert Max Weber de naamloze hoogwaardigheidsbekleder die als gastheer op een receptie zich tegenover zijn gasten verontschuldigt omdat hij ook een paar `ratten van de pers' heeft uitgenodigd. Hij moest wel. Intussen is dit noodzakelijk kwaad op weg naar de redactie om alles wat het op deze feestelijkheid heeft gehoord te verwerken tot het nieuws dat de andere gasten de volgende dag boos of gretig zullen lezen. Julien Benda schreef in zijn Trahison des clercs in de jaren twintig alle politieke moeilijkheden toe aan de `goedkope sensatiepers' van die tijd. Op zijn `maatschappelijke ladder' plaatst Van Heek de journalist ergens tussen de glazenwasser en de vuilnisman. W.F.Hermans schreef over de `hoernalistiek'. In de avonturen van Heer Bommel verschijnt de journalist in de gedaante van Argus, als een sjlemiel met een potlootje achter zijn oor. Dat is allemaal vèr voor internet.

Toen kwam de televisie, een halve eeuw geleden. Weer werd de crisis van de dagbladen aangekondigd. Die begon pas goed toen de reclame op de televisie werd ingevoerd en daarna de commerciële televisie zijn intrede deed. Verlies makende kranten fuseerden of verdwenen. Om zich tegen het nieuwe medium nog enigszins te kunnen handhaven moesten de redacties vrolijker en luchtiger gaan schrijven en er moesten meer foto's in de krant, graag zo groot mogelijk. Veel dagbladen deden er van harte aan mee. Maar er waren er ook die op de ouderwetse manier nieuws en commentaar bleven afdrukken. De Financial Times en de New York Times bijvoorbeeld. Die wisten zich heel aardig te handhaven.

Een jaar of tien geleden is de internetrevolutie begonnen. Die viel samen met een paar andere ingrijpende ontwikkelingen. De Koude Oorlog was afgelopen en daarmee het publiek bevrijd uit de greep van een ideologische strijd die bijna vijftig jaar had geduurd. Halverwege de jaren negentig begon de welvaart wereldwijd te stijgen. Het resultaat was dat de mensen minder kopzorgen kregen en steeds meer tijd voor pleziertjes. De behoefte aan entertainment groeide tot een wereldhonger. Entertainment verspreidt zich als een ebola-virus tot in de nerven van de maatschappij, schreef de essayist Neal Gabler in zijn Life the Movie in 1998. De honger is nog steeds niet gestild. Binnenkort wordt in China het eerste Disneyland geopend. Dat had Mao Zedong niet durven dromen. Ook de serieuze media werden steeds lolliger, die van Rupert Murdoch voorop.

En toen kwam de elfde september. De ontdekking dat de doodsvijand, als zodanig onherkenbaar, binnen de muren was. De oorlog tegen de terreur duurt voort, de angst voor de onzichtbare vijand is niet verdwenen. Maar in tegenstelling tot wat er in ouderwetse oorlogen gebeurde, is de welvaart niet afgenomen. Angst en onzekerheid in rijkdom. Die combinatie veroorzaakt verwarring, zoals we iedere dag ervaren. Intussen hebben we internet, de blogs en de mail. In principe kan iedereen die in het genot van een computer is, alle andere computerbezitters laten weten wat zij/hij van de toestand vindt. Niet veel goeds. In de fundamenteel gedemocratiseerde samenleving kan iedereen voor het eerst ieder ogenblik zijn mening publiceren. De opstand van de lezer: of hij kan schrijven of niet, de vorige minuut zijn natte vinger heeft geraadpleegd of werkelijk iets meer dan een flauw benul van zijn onderwerp heeft, iedereen is verslaggever, iedereen is columnist.

Mijn zegen hebben ze. Ik lees iedere dag Murdochs New York Post, bewonder het vakmanschap waarmee deze krant die ik als een half-vod beschouw, in elkaar is gezet. En ik vraag me af waarom The Economist nooit op het idee is gekomen, Murdoch af te zetten.