Stijl, spanning, seks en spoken

De komende weken discussieert de Leesclub (www.nrc.nl/leesclub) over `De stille kracht' van Louis Couperus, een van de grote werken van de wereldliteratuur.

De pen in parfum gedoopt. Met deze woorden karakteriseerde Willem Frederik Hermans het proza van zijn voorganger Louis Couperus. Helemaal ongelijk had hij niet. Wie de eerste bladzijde van De stille kracht (1900) opslaat, moet even wennen – een proces dat nog vertraagd wordt door de eigenaardige spelling, die jammer genoeg in de nieuwe Salamander-editie is gehandhaafd. `De volle maan, tragies die avond,' zo begint de roman, `was reeds vroeg, nog in de laatste dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde als een zonsondergang laag achter de tamarindebomen der Lange Laan en steeg, langzaam zich louterende van hare tragische tint, in een vage hemel op.' En zo gaat het een paar alinea's door voordat de held van de roman, resident Otto van Oudijck, ten tonele verschijnt.

Couperus was een liefhebber van `woord-mooie zinnen'; en hoewel hij in De stille kracht zijn impressionistische stijl minder ruim baan gaf dan in De berg van licht (1905), maakt het bovenstaande citaat duidelijk waarom hij soms tot de Beweging van Tachtig wordt gerekend. Er is meer dat hem verbindt met schrijvers als Lodewijk van Deyssel en Frederik van Eeden: in de eerste plaats zijn bewondering voor de Franse naturalisten (wier obsessie met erfelijkheid en milieu hij uitwerkte in Eline Vere, 1889), daarnaast zijn geloof in het Noodlot (de titel van een van zijn vroege romans). Maar De stille kracht is geen naturalistische roman – al was het maar omdat de ondergang van Van Oudijck niet bepaald wordt door erfelijke factoren.

Want tenondergaan doet Van Oudijck. Aan het begin is hij de trotse resident van Laboewangi, Java; getrouwd met een mooie (tweede) vrouw en gerespecteerd door zowel zijn Indische onderdanen als de Hollandse expat-gemeenschap, bestaande uit koloniale ambtenarengezinnen die hun verveling verdrijven met roddel, overspel en spiritistische séances. Hij kent zichzelf als `een man van overdachte beginselen, van a priori vastgestelde logiek; onveranderbaar in besluitneming, nooit toegankelijk voor een impulsie' (p. 127). Maar tegen het einde van de roman constateert hij dat zijn eerzucht vervlogen is en zijn heerszucht verslapt. Hij heeft zijn idealen verloochend, gelooft niet meer in de beschavingsmissie van de westerse kolonisatoren, en heeft gedaan waar hij altijd tegen geageerd heeft: hij is `verindischt' en leeft – sinds de scheiding van zijn praktisch nimfomane vrouw – samen met een Javaanse vrouw in een kampong.

Wat is er misgegaan? Wie De stille kracht leest als de klassieke tragedie die het natuurlijk óók is, begrijpt dat Van Oudijck te gronde gaat aan een fatal flaw, een fatale karakterfout; en de verteller geeft herhaaldelijk aan waarom het wel fout moest lopen. Van Oudijck is niet alleen `bijziende thuis' (wat wil zeggen dat hij niet merkt dat zijn vrouw hem zelfs bedriegt met zijn eigen zoon), hij is ook `blind voor het leven, dat er werkt onder het leven' (p. 109). Hij is te nuchter voor het Oosten, en erger: `hij, onverzettelijk, raadde niet de heilige ogenblikken, dat de mens niet moet zijn zijn eigen wil, maar zich vroom moet laten gaan naar de drang der stille machten' (p.128).

Zoals de titel al suggereert, wordt Van Oudijck het slachtoffer van `de stille kracht', iets wat in de Couperus-kritiek vaak wordt gelijkgesteld met goena-goena, de voodoo-achtige tovenarij waarmee Indiërs wraaknemen op hun vijanden (bijvoorbeeld in de gelijknamige roman van P.A. Daum uit 1887, waarvan ik me afvraag of Couperus die gelezen had). Maar de schrijver is heel wat minder eenduidig over die `stille kracht'. Het is waar dat Van Oudijck aan zijn zekerheden gaat twijfelen doordat hij niet kan verklaren hoe zijn vrouw met rood sap is bespuugd in de badkamer en hoe zijn huis wordt overgenomen door klopgeesten. Maar wat Van Oudijck werkelijk niet begrijpt, volgens de verteller, is `wat er krioelde en woelde als vulkaanvuren onder de bergen van majesteit, als troebelen onder een troon [...] de mystiek der zichtbare dingen' (p. 110); of liever `een stille macht, vijandig aan ons temperament, aan ons bloed, aan ons lichaam, aan onze ziel, aan onze beschaving, aan al wat óns goeddunkt te doen en te zijn en te denken' (p. 201).

Wat die `stille macht' precies inhoudt, komen we hier niet te weten. Net zo min als in twee andere beroemde romans over kolonisten die kapot gaan doordat ze botsen met de kracht van de wildernis: Joseph Conrads Heart of Darkness (1898) en E.M. Forsters A Passage to India (1922). Aan het eind van De stille kracht raken Van Oudijck en zijn kennisje Eva Eldersma, die hem in zijn ballingsoord bezoekt, bij het zien van een groep islamitische bedevaartgangers doordrongen van `het onzegbare [...] dat wat knaagt als een gift en een vijandschap aan lichaam, ziel, leven van de Europeaan, wat stil bestrijdt de overwinnaar en hem sloopt en laat kwijnen en versterven' (p. 236).

In 1919 schreef Couperus over zijn succesroman: `De Stille Kracht geeft vooral weêr de geheimzinnige vijandschap van Javaanschen grond en sfeer en ziel, tegen den Nederlandschen veroveraar.' Wat hem voor ogen stond – behalve een spannend verhaal met seks en spoken – was duidelijk te maken, dat de westerling weinig te zoeken had in een vreemd land als Indië. `Nooit is er de harmonie, die begrijpt', schrijft hij (p. 112); `nooit bloeit er de liefde , die eender voelt, en altijd is er tussen de kloof, de diepte, de afgrond, het verre, het wijde, waaruit aandonst het mysterie, waarin als in een wolk, de stille kracht eens zal openbliksemen.' Het lijkt een parafrase van de beroemde eerste regels van Rudyard Kiplings `Ballad of the East and West' uit 1889: `Oh, East is East, and West is West, and never the twain shall meet.'

De stille kracht is een van de twee romans die direct voortvloeiden uit een reis die Couperus, telg van een familie van Nederlands-Indische bestuursambtenaren, in 1899 naar Java maakte. Van die twee heb ik altijd Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan (1906) als Couperus' meesterwerk beschouwd – vooral omdat het verhaal van de doorwerking van een passiemoord op negentiende-eeuws Java zo'n mooie synthese is van zijn Haagse en zijn Indische romans. Na herlezing van De stille kracht, met zijn zinnelijke stijl, zijn vrijmoedige erotiek en zijn intrigerende beschrijving van de oost-westproblematiek, denk ik daar anders over. Het verhaal van de tragische held Van Oudijck is niet alleen Couperus' beste boek, maar ook een van de grote werken van de wereldliteratuur. In het Engels vertaald in 1922, was het wellicht de directe aansporing voor E.M. Forster om zijn veelgeprezen A Passage to India te publiceren.

Pieter Steinz is auteur van `Lezen &cetera - Gids voor de wereldliteratuur' (Prometheus, 2003). Volgende week in de Leesclub: Elsbeth Etty over Couperus als antikoloniale profeet.