Scènes aan de kassa

Scènes uit een huwelijk van Ingmar Bergman is een wereldberoemde film uit 1974. In het seizoen 1997-1998 bracht de grote zaal van de Nederlandse schouwburgen de gelijknamige toneelbewerking. Het was aan vrije of onafhankelijke producent Diederik Hummelinck van Hummelinck Stuurman Theaterbureau te danken dat in Nederland Scènes uit een huwelijk op de planken kwam.

Voor de gemiddelde toeschouwer zijn impresariaten min of meer onzichtbaar. Ten onrechte. Deze onafhankelijke productie- en theaterbureaus werken zonder subsidie. Ze opereren op de vrije markt, ze lopen financieel risico. De laatste tijd is hun artistieke betekenis gegroeid. Niet alleen zorgen ze voor de keuze van toneelstuk, regisseur, spelers, decorontwerper etcetera. Naast deze artistiek-inhoudelijke bemoeienis waarborgt zo'n producent dat een voorstelling door het hele land is te zien, vaak in een maandenlange tournee.

Ivo van Hove, regisseur en artistiek leider van het gesubsidieerde gezelschap Toneelgroep Amsterdam, bracht dit seizoen óók Bergmans Scènes uit een huwelijk. Net zo opmerkelijk is het dat zowel het Nationale Toneel uit Den Haag als Toneelgroep Amsterdam stukken van Alan Ayckbourn brengen, respectievelijk Een Vriendendienst en Kruistochten. Ayckbourn behoorde altijd het vrije circuit toe. Zijn vakbekwame werk trekt volle zalen en spreekt een breed publiek aan, zoals nu de vrije productie Slippers. Zakelijk gezien behoeft een Ayckbourn geen subsidie. Artistiek gesproken is Ayckbourn geen gewaagde keuze. Dit is slechts een van de voorbeelden waaruit blijkt dat het gesubsidieerde en vrije circuit elkaar gaan overlappen. Begrijpelijk is dan ook dat een aantal onafhankelijke producenten, onder meer Impresariaat Wallis, Hummelinck Stuurman en 't Bos Producties, voor 2005-2008 voor het eerst bij de Raad voor Cultuur een verzoek tot subsidie heeft ingediend. Vooralsnog honoreerde de Raad het verzoek niet. Een van de initiatiefnemers, Diederik Hummelinck, zegt desgevraagd dat men geen meerjarige subsidie verwacht, ,,maar wel extra gelden voor risicovolle voorstellingen, zeker als het ook nieuw Nederlandstalig repertoire betreft.''

Het is bijzonder dat vrije producenten criteria gebruiken als `nieuw Nederlandstalig repertoire' en voorstellingen die een risico inhouden, dat waren tot nu toe aan de gesubsidieerde gezelschappen voorbehouden begrippen. Maar omdat zij 15 procent aan eigen inkomsten moeten verwerven, gaan ook zij uit vissen in de vijver van de vrije producties.

Voor een impresariaat als Hummelinck Stuurman ligt dat precies omgekeerd: zij zouden graag voor speciale gelegenheden 15 procent overheidssubsidie aan inkomsten verwerven die niet van de kassa komen.

Niet alleen wat repertoire betreft, ook in andere opzichten vervaagt de grens tussen gesubsidieerd en niet-gesubsidieerd toneel. De Nederlandse gezelschappen vormen intern steeds steeds minder een hecht ensemble. Zij putten voor regisseurs en spelers uit dezelfde vrije markt van de onafhankelijke producenten. Bovendien opereren steeds meer acteurs en regisseurs op diezelfde vrije markt. De overheid kan bij deze ontwikkeling niet achterblijven en doet er goed aan ook vrije producenten die gewaagd repertoire brengen te ondersteunen. Impresariaten getuigen de laatste jaren van artistieke kracht. Nog even en zij gaan de voorhoede vormen.