Kweltuinen van de geest

`Orewoet' was het woord dat bij me opkwam toen ik de eerste gedichten van Deze rouwmoedige schoonheid gelezen had. Orewoet, dat is: gloed, hitte, vurigheid, drift of extase. Het woord wordt meestal in verband gebracht met de dertiende-eeuwse poëzie van Hadewijch, die ook voor eenentwintigste-eeuwse lezers nog altijd verrukking en hartstocht uitstraalt.

Is het dwaas om het dichtwerk van Lucas Hüsgen op één lijn te stellen met de mystieke minnelyriek van een middeleeuwse begijn in Nijvel? Er zijn uiteraard grote verschillen. Hüsgen bij voorbeeld is absoluut gedreven, maar niet door religie, zoals Hadewijch. En bij haar ontleende de taal haar rijkdom niet aan de woordenschat, maar aan de klankrijke beeldspraak en formulering, terwijl Hüsgen per strofe lexicaal verbijsteren kan. Wat ze wél gemeen hebben is de vurige bevlogenheid van taal, beeld en ritme. Lees de eerste drie coupletten van `(Een goddelijke generaal)':

Van d'innerlijke uiterlijke bergen uit,

het volgende:

wij zijn in een modulatie-systeem geboren,

gij o nexus, in u zijn wij erdoorheen gelopen

en aldus zijn wij erdoorheen weggejaagd,

omdat

wij in het glippen gemoduleerd zijn

weggeglipt.

Zulk niemendal is dit waarin men als

een niemendal

zich overbrugbaar weet. En:

hebben zij ter berging de denkbare afstand

afgelegd

dan gelijkt de afstand die de afstand tot

stand brengt, ach,

een knoopseltje.

Bij eerste lezing lijkt dit moderne orakeltaal. Een echo van Sybren Polet, en een snufje Ouwens. Maar dit is nog maar de inzet van een eenentwintig pagina's tellende cyclus. Wie hier afhaakt, krijgt geen toegang tot de speel- en kweltuin van de geest die Hüsgen in Deze rouwmoedige schoonheid van pagina naar pagina ontrolt. Toegegeven, dit is poëzie voor echte liefhebbers raadseltaal voor wie geen antwoorden zoekt, maar zich mee wil laten slepen.

De geciteerde coupletten openen de cyclus `Shinchang - twaalf aantekeningen'. Wie zich niet eerder in het werk van Hüsgen verdiepte, kan het beste met deze intrigerende reeks beginnen. Shinchang is het Koreaanse woord voor: schoenenkabinet, lichaamslengte, uitbreiding of verlenging, goddelijke generaal, herinrichting, en nier. In twaalf gedichten improviseert Hüsgen tweemaal op elk van deze zes betekenissen. Zoals in zijn eerdere bundels Nevels orgel (1993) en Stoa (1997) trekt hij daarbij alle registers van stemmen en stemmingen open. Er zijn maar weinig dichters die zo luchtig van exuberantie naar kaalslag, van fluistertoon naar stadionvolume, en van loden ernst naar zelfspot kunnen overschakelen.

`Een mopje bij het absolutum' luidt de ondertitel van Deze rouwmoedige schoonheid. In de bundel komen we dat mopje tweemaal tegen. De eerste keer in het gedicht `De boerse vergezichten'. `(Dit is -) werkelijk, als wat hij noemt // ontvreemding,' stelt Hüsgen daar. `Dit is dus, vooraleer: // een mopje bij het absolutum.' In het laatste gedicht van de bundel, `Hier doe ik het mee', komt hij terug op dit vergezicht:

Ik kus een steen, vlakbij

de weerbarstige heg, pal

naast het bankgebouw. De glazen deur

lijkt een van mijn winteravondcantates. Ik

heette hem eens 'een mopje

bij het absolutum'. Wees

vaardig: vaarwel.

In de laatste regel weet de lezer zich toegesproken. Hüsgen doet dat herhaaldelijk in deze bundel; nu eens met `jij', dan weer met `u' of `gij', soms ook impliciet in de aansporende of gebiedende wijs. Dit communicatieve gebaar staat, lijkt het, haaks op de ontregeling die eigen is aan deze poëzie. Hüsgens syntaxis is een andere dan op school wordt geleerd, zijn regelval wijst de lezer allerminst de weg, en het wit is al even verwarrend. Toch staan er ook verstaanbare verzen in Deze rouwmoedige schoonheid. `Om te stranden, zo teder' is zo'n gedicht, en ook de twee verzen daarna zijn uitnodigend open. Humoristisch ook, zoals in `,,Ik nam het op me'', zegt men'. Het laatste couplet daarvan beschrijft hoe de `ik' (voor het laatst) nogmaals wuiven wilde

naar het meisje dat door het restaurant

toeliep op de grauwe telefoon, maar nu

zal ik eventjes moeten spreken van

een meisje dat

met een kopje capuccino

traag langs kamerplanten op

de hoek komt nemen van een trap,

voortreffelijk geboend.

Ook hier is sprake van ontregeling, maar dan wel van het soort dat Hüsgen in `Waar ons kunst van arbeid leidt' omschrijft als `een ritme dat jou punnikt' of een dansje dat de huppelpasjes uitlegt.

Er is er veel dat mij in in deze bundel ontgaat, ook bij veelvuldige herlezing. De twaalf voltrekkingen van `Pollie Zop' bijvoorbeeld zijn voor mij geen `nieuwsberichten van zichtbaarheid'. Maar juist zo'n hermetisch gesloten juwelendoos maakt begerig.

Lucas Hüsgen: Deze rouwmoedige schoonheid. Querido, 87 blz. €19,95