Kom op met die natuur

Wie tien, wat zeg ik, vijf jaar geleden had durven beweren dat natuurschilderijen weer helemaal hip zouden worden was ongetwijfeld uitgelachen en besmeurd met pek en veren naar het Frisia Museum in Spanbroek gestuurd. Maar zie. Het is mei 2005, Diana Stigter opent haar nieuwe, mooie, grote galerieruimte en hangt die vol met weelderige bloemendoeken van de Engelse kunstenares Alisa Margolis (1975). En even verderop, in Amsterdam Oost, waar Stigters oud-assistente Juliette Jongma sinds driekwart jaar resideert, prijken de natuurschilderijen van de Zweedse Malin Persson (1978). Nu wordt er wel beweerd dat deze hernieuwde belangstelling voor natuurlyriek (Margolis en Persson zijn bepaald niet de enigen) te maken heeft met het onbehagen na 9/11, met een zoektocht naar geruststelling en eeuwige waarden, maar zo makkelijk laten Margolis en Persson zich niet wegzetten. Als er iets opvalt aan het werk van beide schilderessen dan is het dat ze de brave, geruststellende esthetiek van het natuurschilderij nadrukkelijk uitdagen.

Het moeizaamste gaat dat bij Persson, die nog aan de Rijksakademie studeert. Dat kun je zien; haar stijl is nog niet uitgekristalliseerd. Persson lijkt op zoek naar beelden die zweven, ergens tussen herinneringen aan het Zweedse landschap en schilderijen uit de negentiende eeuw. Persson is zo'n kunstenaar van wie je vermoedt dat ze stiekem een grote poster van Millais' Ophelia aan de muur heeft hangen, maar omdat zulk werk niet bepaald en vogue is, liever een impressionist als Monet tot voorbeeld neemt. Die link levert wel meteen het beste werk op: een groot schilderij van een meertje waarop de lelies als halfabstracte verfvlekken over het wateroppervlak zweven, wat een mooie, vervreemdende sfeer oproept.

Ook Alisa Margolis lijkt op zoek naar zulke vervreemding. Zij slaagt er op het eerste gezicht makkelijker in die op te roepen, vooral omdat ze technisch erg goed is – de stilistische brille spat van haar doeken. Vloeiend laat Margolis haar bloemen opdoemen uit het donker, om ze even makkelijk over te laten lopen in grote, abstracte vlekken. Ze speelt virtuoos met verf en glans en oppervlak en verwijzingen naar 17de-eeuwse bloemstillevens, waarbij een plas donkergele verf zomaar als een stuk folie op het doek kan liggen, zonder de compositie te verstoren. Tegelijk is die virtuositeit ook Margolis' probleem. Ze is zo goed in staat een lekker lonkend schilderij te maken dat de spanning er makkelijk uit glipt. Margolis probeert dat slim te voorkomen door de licht-donker-contrasten stevig aan te zetten en door abstractie en figuratie nadrukkelijk in elkaar te laten overlopen, maar uiteindelijk is haar werk te vaak te lekker, te behaagziek – Floris Verster on acid, bleef ik maar denken. Hoe prettig dat soms ook kan zijn, uiteindelijk heeft Margolis het zelfde probleem als Persson: ze weten hun `eeuwige' thematiek net te weinig naar het heden te trekken. Waardoor hun werk weinig meer te maken heeft met uitdagen of confronteren. Zoiets heet escapisme.

Alisa Margolis: Theory of Everything. Galerie Diana Stigter, Elandsstraat 90, Amsterdam. Wo-za 12-18u, t/m 14/5. Malin Persson: Midsommar. Galerie Juliette Jongma, Gerard Douplein 23, Amsterdam. Wo-za 13-18u, t/m 3/6.