Ik heb voor hem geposeerd

Lizi Mensonides (92 jaar) was in de jaren dertig danseres. Haar persoonlijk archief onthult een voorbije wereld en onbekend werk van Gerrit van der Veen, de beeldhouwer die verzetsheld werd.

`Ja, daar, met die mand op z'n hoofd. Dat is Ger, Gerrit van der Veen, in een gekke bui tijdens een bal masqué aan de kade van Willemstad.'' Ongedurig, omdat ze zeker wist dat het bruine oblong fotoalbum een komische scène bevatte, had Lizi Mensonides het omslaan van de bladzijden met vergeelde taferelen uit Curaçao aangespoord. Alsof ze het waarheidsgehalte van haar bewering wilde onderbouwen met een illustratie: ,,Hij was nogal een doener, een vrolijke vent.''

Het waait stevig, op een zonnige dag in 1927. Vlag en wimpels wijzen strak landinwaarts, heren in koloniaal wit vatten de strooien hoed bij de rand, besteden nauwelijks aandacht aan het drietal op de voorgrond: de middelste verkleed als een Chaplineske schooier, de buitenste twee als vrouw. Breed grijnzend in zijn bijeengegaarde rokken en lappen, een wapperend schort, een schoudermanteltje, met een peuk in de mond (of is het een strootje?), de donkerbruinverbrande armen in de zij, en een mand op het hoofd zoals de inlandse vrouwen, staat daar tegen de wind in leunend Gerrit Jan van der Veen, werktuigkundig employé bij de Curaçaosche Petroleum Industrie Maatschappij. Midden twintig is hij en hij heeft heel andere ambities dan een loopbaan in de olie.

Ook Lizi Mensonides had aspiraties die ze op Curaçao niet kon verwezenlijken. Ze wilde dansen. Zolang ze zich kan heugen, improviseerde ze op muziek. Je huppelde al in de wieg, zei haar moeder tegen haar. Ze werd geboren op 1 september 1912 in Bolsward en groeide op in Nederlands-Indië en op Curaçao. Is zij dat meisje, helemaal rechts op de foto, met het witte pothoedje en de shorts, een bal op de arm? Nee, ze was er niet bij geweest. Ze was trouwens een stuk ouder dan het kind op de foto, al vijftien. Het zou niet lang meer duren of ze moest naar Nederland om haar middelbare school te voltooien. Het dansen begon daarna pas serieus.

Van der Veen zou eveneens terugkeren naar Nederland. Hij kreeg die kans als gevolg van zijn adembenemende reddingsactie in de haven van Willemstad. Met een paar collega's was hij de baai ingedoken en naar de in brand gevlogen en door de bemanning verlaten Engelse tanker de Corning gezwommen. Ze blusten de brand en voorkwamen een ramp.

Daar ze ook nog eens afzagen van eigendom van het schip dat hen volgens het zeerecht toekwam, beloonde de C.P.I.M. hen met vijfhonderd gulden de man. Van der Veen bedankte voor de hem aangeboden promotiemogelijkheden. In plaats daarvan kreeg hij zijn overtocht naar Nederland betaald en een toelage van zestig gulden per maand voor zijn eerste studiejaar.

Slager

Gerrit van der Veen wilde beeldhouwer worden, dat was bekend, vertelt Lizi Mensonides. ,,Hij had geen geld voor de opleiding. Zijn vader was slager. Mijn moeder, die van een Friese boerderij kwam en veel van dieren hield, verkondigde eens in zijn aanwezigheid, dat ze het een vreselijk beroep vond. Toen zei Ger dat zijn vader slager was. Dat was even pijnlijk.'' Haar ouders hebben hem geld gegeven voor zijn studie aan de Academie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Ze hadden fiducie in zijn talent.

Veel vertier had Curaçao niet te bieden in de jaren twintig, maar er waren ,,feestjes bij de vleet en Ger was vaak van de partij.'' Lizi zag hem op picknicks aan de mooie baaitjes bij verwilderde plantages, of op de tennisbaan en hij kwam aan huis. Haar vader, ingenieur, hoofd nieuwbouw en onderhoud bij de Curaçaose divisie van de Bataafsche Petroleum Maatschappij (de latere Shell), was een verwoed amateurmusicus. ,,Altijd doende met koren, orkestjes en kwartetten, vaak op zondagochtend bij ons. Ger speelde viool, staat me bij, en hij tekende en boetseerde. Ik heb voor hem geposeerd.''

Belemmerd door haar ernstig verminderde gezichtsvermogen maant ze tot doorbladeren. Er duikt nog een foto op van Van der Veen, lang en slank, weer breedlachend, met slechts een handdoek om de heupen. Een aantrekkelijke man. ,,Jawel, maar ik was niet verliefd op hem.'' Ze zegt het matter-of-fact om na een pauze eraan toe te voegen: ,,Hij wilde wel aanpappen, trouwens, hij was een erge vrouwenliefhebber.''

Op dezelfde bladzijde in het `Album Curaçao' prijkt een verweerde foto van de tekening waar ze op doelde, gesigneerd en gedateerd: GJvanderVeen, 27 december 1927. De jonge kunstenaar zette een ontluikende bakvis neer: schuchter, enigszins in zichzelf gekeerd, maar toch nieuwsgierig, zich een houding gevend met een sierlijke hand aan de halsketting. Haar vader, met wie ze een moeilijke relatie had ze hanteerde de naam van haar moeder toen ze ging dansen hield de tekening in bezit na de echtscheiding.

Het kopje dat Van der Veen op Curaçao boetseerde, ging kapot bij het gieten. Een paar jaar later in Nederland - ,,Ger zat op de Academie en kwam wel eens langs'' - poseerde ze opnieuw voor hem en dat beeldje heeft ze jarenlang gehouden, tot ze geen zin meer had om ,,tegen mijn eigen kop aan te kijken.'' Ze stelde zich in verbinding met de familie. ,,Aan zijn weduwe Louise heb ik gevraagd of er een museum was dat werk van Ger bezat. Dat was niet het geval, maar zij wilde het beeldje graag zelf hebben. Toen heb ik het bij haar gebracht in het Rosa Spierhuis. Dat was wel mooi, daar stond ik op een kast naast Juliana.''

Laatste getuige

Het is een warme middag aan het begin van de winter, enige maanden nadat Lizi Mensonides schriftelijk contact had gezocht. Details van haar eigen dansverleden waren opgeweld na lezing van mijn artikel [Cultureel Supplement, 5 december 2003] over de schrijfster Dola de Jong die net als zij in het vooroorlogse danscircuit werkzaam was geweest. Ze hadden elkaar weliswaar niet gekend, maar Lizi Mensonides was goed bevriend geweest met de schilder Jan Hoowij, met wie Dola de Jong nadien kort getrouwd was. Ze bezat nog een olieverf dat Hoowij van haar maakte en tekeningen van Gerrit van der Veen, schreef ze.

En ze gaf korte typeringen van dansers van naam uit die lang vervlogen periode, waarvan ze zo langzamerhand de laatste getuige is. Gertrud Leistikov, Darja Collin, Alexeï d'Ormesson, Estelle Reed, Nina Kirsanova, David Grey en Igor Schwezoff. Hoewel ze nog altijd bewondering koesterde voor Schwezoff, de gevluchte Russische balletdanser, die bij de groep van Darja Collin kwam lesgeven en choreograferen, zag ze weer voor zich hoe hij ,,in de oefenzaal een prachtige indruk maakte, maar op het toneel tegenviel. Als duivelse figuur (in het Mirakel) werkte hij goed, maar hij vulde het toneel niet, te schraal.''

In de comfortabele stoel met het verlichte vergrootglas op een statief ernaast, een krukje met een loep en haar andere bril erop binnen handbereik en zonder de afleiding van de vogelgeluiden buiten voelt ze zich op haar gemak. Ze komt zelden meer buiten.

Een paar mappen bevatten de foto's die haar luttele dansjaren documenteren. Veel meer dan het Curaçaose album vragen ze om een verhaal dat ze tot leven brengt. De bevroren poses, de meeste uit een fotostudio, maken het verleden vreemd genoeg onbeweeglijker dan de kolderieke momentopname op de kade van Willemstad. Het is moeilijker om in de jonge danseres met de waaier de tweeënnegentigjarige te herkennen dan in de tekening van de timide tiener.

Tot ze begint te vertellen over Darja Collins' school aan de Jozef Israëlslaan 7, niet ver van het Haagse Malieveld, waar 's morgens en 's middags lessen werden gegeven en waar werd gerepeteerd door de leerlingen die al snel in de groep terecht kwamen. Bevlogen, jonge vrouwen, net als zij, maar niet goed genoeg om de eerste rangen te bezetten. Dolly van Pesch, Tine Dekker, Mea Eggink en haar goede vriendin Bé Jacometti.

,,Op de eerste etage waren kamers en suite met een schuifdeur. De oefenzaal was in de achterkamer met een barre en wittig textiel op de vloer in plaats van hout. De kleedkamer met douche ernaast en aan de voorkant een klein kantoor waar Puck Santhagens zat. Ze was nogal dik, maar ze gaf goed les, heeft dat gedaan toen Darja een tijdje weg was. Dat zal zijn geweest toen ze moest bevallen. We hadden haar nog babykleertjes gegeven, maar het ging mis. Slauerhoff, Darja's man, zag je weinig. Hij leek me boos en ongeduldig, kennelijk vond hij de dansbeweging van Darja maar niks. Ik heb hem niet echt ontmoet, alleen gezien op de gang. Hij was bevriend met een dichter die op de voorkamer zat en die later met Hertha Westmann trouwde. Everard Bouws, inderdaad. Ook met hem hadden we niets te maken.''

Terwijl ze haar best doet personen en situaties op te roepen van zeventig jaar terug, om de herinneringen over te brengen, hoe onvolkomen die ook zijn, besef ik dat haar wereld klein is geworden en steeds kleiner wordt naarmate haar gezichtsvermogen en haar gehoor verslechteren. En dat voor iemand die zoveel van de wereld heeft gezien. Zelfs het wijde uitzicht op de geaccidenteerde tuin rondom haar kleine bungalow in de buitenwijk van een Zuid-Franse badplaats is ze kwijtgeraakt. Als de late zon fel de kamer in schijnt, trekt ze liever de gordijnen dicht.

,,Schwezoff hamerde op de techniek, zijn lessen waren heel goed, uitgebreider dan we gewend waren. Ik vond hem veel professioneler dan Darja, daarom ben ik na hun breuk met hem meegegaan naar Amsterdam.''

In haar brieven had ze de groep van Schwezoff `het paardenspul' genoemd. ,,Zo zeiden we dat nu eenmaal, het zal wel ironisch bedoeld zijn en het had ook iets te maken met een stuk voor vijf vrouwen en drie mannen.'' Ze is veel vergeten. ,,Het is ook al zolang geleden,'' verzucht ze als ze nadere uitleg schuldig blijft over gebeurtenissen die ze had aangestipt. Ze verbaast zich erover dat ze de zure bom heeft onthouden die ze kocht vlak voor een voorstelling van Het Mirakel in Rotterdam, maar niet meer weet wat ze er danste.

,,Ik zie ons zitten in de trein op weg naar een voorstelling in Leeuwarden. We waren diep onder de indruk van Nina Kirsanova. Ze sprak alleen Russisch en ze was de grote ster, afkomstig uit de groep van Anna Pavlova. Maar toen ik haar die avond zag met Igor in een wals van Kreisler, vond ik het zo'n kitsch. Technisch ongetwijfeld goed, maar kitsch.''

Eenmaal in Amsterdam, waar ze een flatje betrok met Leo Broekveldt (later bekend geworden als Indra Kamadjojo), zijn vrouw Tine en met Dolly van Pesch ieder had een eigen kamer - zocht ze Van der Veen weer op. Die had inmiddels een huis met een ruim atelier. Op zijn verzoek heeft ze toen als danseres geposeerd voor hem, zijn vrouw Louise en nog een paar kunstenaars. ,,Niet dat Ger bijzonder veel belangstelling voor de danskunst had. Hij kwam nimmer kijken naar de recitals. Het ging hem uitsluitend om de beweging.''

Ze bezit nog altijd vier tekeningen die hij, gesigneerd en gedateerd, uit zijn schetsblok scheurde. Twee van de vier schetsen tonen Lizi terwijl ze in haar tricot haar oefeningen doet. Op de twee andere danst ze in toneelkostuums die enige gelijkenis tonen met werk uit `het paardenspul.' Titels zijn haar ontschoten.

Van der Veen, die ze daarna nooit meer heeft gezien, voltooide datzelfde jaar, 1934, in opdracht van de zijn oude werkgever voor Willemstad een groot monument ter herdenking aan de verovering van Curaçao, driehonderd jaar tevoren. Het stond er nog toen Lizi en haar man Jack eind jaren zestig Curaçao verlieten. In dezelfde periode kwam zijn zoon Gerrit Jan Wolffensperger, in dienst bij de KNSM, op het eiland aan. Het monument was vrijwel het eerste wat hij zag.

Er staat nu op die plek een kiosk, vertelt Wolffensperger. Hij is er nog een paar keer teruggeweest. De klok bovenaan de vijf meter hoge zuil liep allang niet meer en ten slotte is het gevaarte gedemonteerd en opgeslagen bij gemeentewerken van Willemstad. Hij voelde veel voor het initiatief dat omstreeks tien jaar geleden ontstond om het monument naar Nederland te krijgen en het te laten plaatsen op de KNSM-laan in Amsterdam. Tot nog toe bleef dat zonder resultaat.

Open lucht

Hoewel verspreid door Nederland in de open lucht en in een aantal openbare gebouwen kunstwerken van hem staan, is de beeldhouwer Van der Veen in de vergetelheid geraakt, overschaduwd door zijn verzetsdaden en zijn dood voor het Duitse vuurpeloton. Voor zover bekend bezit geen enkel museum werk van hem, geen beelden, noch de reliëfs of de vele penningen die hij maakte. Op een uitzondering na. In het Theater Instituut Nederland bevindt zich zijn portrettekening van een tijdgenote van Lizi Mensonides, de geëngageerde danseres en choreografe Florrie Rodrigo.

,,Vijandschappen!'' Hoofdschuddend memoreert Lizi Mensonides hoe fel ze destijds bepaalde stromingen afwees. En zij niet alleen: de onderlinge parti-pris was groot tussen de diverse groepjes in het kleine dansveld. ,,Ik begrijp daar nu niets meer van, hoe scherp de scheiding toen lag tussen modern en klassiek. Ze moet erom lachen. ,,Ik was zó ervan overtuigd wat mooi was en wat niet.'' Maar de dans zelf is haar ontglipt. Wat rest zijn de vier schetsen uit 1934 waarop Gerrit van der Veen haar in beweging weergeeft.

De beeldhouwer

is overschaduwd

door zijn verzetsdaden

`Slauerhoff

leek me boos

en ongeduldig'