Het spel blijft serieus

Zijn leven lang is literatuurwetenschapper Sem Dresden een essayist gebleven. Of hij nu schrijft over Montaigne, Proust, Camus of Paul Valéry, over het humanisme van de Italiaanse Renaissance of over de literatuur van de jodenvervolging en de Tweede Wereldoorlog, zijn geschriften blijven toegankelijke verkenningen van soms ontoegankelijke auteurs en onderwerpen. Als weinig anderen heeft hij zo geholpen de Franse literatuur voor een naoorlogs Nederlands publiek te ontsluiten. In 2002 werd hem daarvoor de P.C. Hooftprijs voor essayistiek toegekend. Maar zijn dood, op 6 mei van hetzelfde jaar, is relatief onopgemerkt gebleven: Nederland werd die dag door een ander sterfgeval in beslag genomen. Nu, drie jaar later, verschijnt een bloemlezing die vrijwel zijn hele academische loopbaan omspant.

Die loopbaan bestrijkt maar liefst vijf decennia; toch zijn Dresdens hoofdthema's opmerkelijk constant. Vanaf het begin vind je bij hem een enigszins defensieve verheerlijking van het dilettantisme (vooral belichaamd in de essays van Montaigne), dat streeft naar nieuwe vragen en voorlopige verkenningen, niet naar systematische theorieën of definitieve antwoorden. Constant is ook zijn overtuiging dat het werk van de schrijver zich slechts richt op zelfkennis, niet op communicatie met een ander: elke gedachte aan een publiek dreigt het schrijfwerk onecht en niet-serieus te maken.

Deze hoogromantische visie moet niet worden verward met het idee van kunst als zelfexpressie. Dresden weigert ook het leven van de schrijver als een toegang tot diens werk te hanteren; literatuur is een spel dat zijn eigen regels volgt. Voor hem zijn genres als het dagboek en de correspondentie van belang als vorm van onvoltooid en onvoltooibaar zelfonderzoek, niet als tijds- of egodocument.

Dresdens essayistische toegankelijkheid en openheid zijn tegelijkertijd een beetje een zwakte. Sommige van zijn oudere stukken doen nu bij lezing, of herlezing, wat gedateerd aan. In 1949 was een essay over het absurde bij Camus nog iets nieuws; in 1960 was een uitleg van het egotisme van Stendhal nog noodzakelijk; maar vandaag de dag zijn zulke exercities niet erg verrassend meer. Het lijkt haast alsof Dresden steeds blijft steken bij de inleiding tot grote schrijvers en tot complexe thema's, en dieper gravende analyses voor zich uit blijft schuiven. Ook latere ontwikkelingen in literatuurtheorie en filosofie lijken grotendeels aan hem voorbijgegaan.

Dresden prijst de voorlopigheid en het relativeringsvermogen van zijn grote voorbeeld Montaigne. Maar het zou een vergissing zijn om zijn eigen essays als postmodern of relativistisch aan te merken: het absolute zweeft boven zijn werk als een soort Geest Gods boven de wateren. Wat dat absolute precies is, legt hij overigens nergens uit. In reactie op Huizinga's beroemde studie van de spelende mens, Homo ludens, benadrukt hij dat spel niet vrijblijvend maar serieus is, maar ook een nauwe relatie heeft met de dood. Dat blijkt het duidelijkst uit wat hij schrijft over de literatuur van de Tweede Wereldoorlog. Met name in Vervolging, vernietiging, literatuur uit 1991 suggereert hij dat oorlogsliteratuur zinvol als literatuur, dus in zekere zin als spel, kan worden gelezen, en niet slechts als documentatiemateriaal van de holocaust. Daarmee spreekt hij zich duidelijk uit tegen opvattingen als die van Adorno of Elie Wiesel, dat na Auschwitz geen literatuur meer mogelijk is, of dat de holocaust niet gerepresenteerd zou kunnen worden. Al staat literatuur in laatste instantie machteloos tegenover het kwaad, hij ziet het als een spel dat er serieuze dingen over kan zeggen. Dat spel kan zelfs humoristisch zijn, maar daardoor wordt het niet minder serieus. Integendeel, in zijn visie heeft ware humor, zoals de joodse humor over oorlog en vervolging, altijd een tragische dimensie.

In het interview dat de bundel afrondt, uit 1992, geeft Dresden toe dat hij er met de verhouding tussen spel en ernst nog niet is uitgekomen. In die zin kun je zijn eigen levenswerk ook als onafgerond beschouwen: de vragen die het oproept nodigen uit tot steeds weer nieuwe antwoorden.

Sem Dresden: Het beste van Dresden. Meulenhoff, 320 blz. €12,50