Het grote zwijgen

Ook in het nieuwste werk van componist Hans Kox komen verandering en stilstand samen. ,,Componeren begint met een inval. Maar met een inval alleen ben je er niet.''

Op 19 mei viert componist Hans Kox zijn 75ste verjaardag. Aan aandacht geen gebrek: een nieuw vioolconcert, een nieuw koorwerk, een cd en een biografie geschreven door Bas van Putten zien binnenkort het licht. Een ouder werk beleeft op donderdag 12 mei zijn Nederlandse première, en op zijn verjaardag wordt Six one-act plays (1971) uitgevoerd door het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Dennis Russell Davies.

Wie deze opsomming leest, zou denken dat Kox (1930) terugkijkt op een glorieuze carrière, waar hem geen strobreed in de weg werd gelegd om zich te ontplooien en een alom gerespecteerd oeuvre op te bouwen. Niets is echter minder waar. Na een veelbelovende start kreeg Kox in de jaren zeventig, de tijd van Notenkrakers en andere vernieuwingen, het stempel van traditionalist opgedrukt. In de jaren tachtig, naar aanleiding van werken als de Anne Frank Cantate en Sjoah, kwam daar het verwijt bij dat hij met andermans leed aan de haal zou gaan. Maar het dieptepunt was voor hem de première van zijn opera Dorian Gray in 1974. Door verschillende critici, zoals Hans Reichenfeld van NRC Handelsblad, werden opera en componist de grond in geboord. Voor Kox was dit aanleiding om zich terug te trekken uit het publieke leven, geen interviews meer te geven en zich op de achtergrond volledig aan zijn muziek te wijden. Dat die een brede groep luisteraars in binnen- en buitenland aanspreekt, sterkte zijn vastberadenheid: ,,Mijn composities zijn mijn pleitbezorger.'' Deze houding wordt bevestigd door het feit dat Kox al jaren weigert zijn programma's toe te lichten.

Hoewel zijn composities en spaarzame woorden een pessimistische levenshouding verraden, blijkt Kox een milde, vriendelijke man. Over de jaren zeventig wil hij het niet hebben (,,daar gaat de biografie al indringend op in''), maar verder spreekt hij vrijuit en bij vlagen geestdriftig over zijn muzikale `invallen', zijn onbehagen in de cultuur en de spanning tussen traditie en vernieuwing.

`Vernieuwing' bestaat volgens Kox niet. ,,Het is een kreet die ze hebben overgenomen uit de wetenschap. Daar kan wél alles, en wordt alles vernieuwd. Maar kunst is nu eenmaal iets anders dan wetenschap. De meeste wetenschappers werken in groepen en bereiken hun resultaten gezamenlijk. In de kunst is elk werk dat tot stand komt het gevolg van individueel talent. Het Wohltemperiertes Klavier van Bach kon alleen door Bach geschreven worden. De relativiteitstheorie had, als Einstein het niet had gedaan, bij wijze van spreken ook door een ander kunnen zijn uitgevonden.''

Toch staan ook componisten altijd in een traditie en Kox zal de laatste zijn om dat te ontkennen: ,,Dat Bach wortelde in de traditie heeft hij zelf altijd duidelijk gezegd. Hij ging zelfs zo ver dat hij stukken van zijn collega's pakte om daar zíjn stempel op te plakken. Dat werd dan toch Bach.'' Zelf gebruikte Kox op zijn beurt weer muziek van Bach, bijvoorbeeld in het Derde Vioolconcert (1993), waar de eerste sonate voor viool, BWV 1001, in een vervreemdend moderne context wordt geciteerd. ,,Iedereen die zich bewust is van de banden met het verleden trekt een lijn door die nu eenmaal gestoeld is óp die traditie. Zelfs de vroege werken van Schönberg sluiten zó nauw aan bij Strauss en Mahler – dat hoef ik niet toe te lichten.''

Verandering en stilstand gaan in Kox' visie hand in hand: ,,Het enige dat steeds zal veranderen, is de manier waarop alles hetzelfde blijft.'' De verandering speelt zich af op het terrein van de muzikale vorm: ,,Componeren begint met een inval. Maar met een inval alleen ben je er niet – ná de inval begint pas het componeren. Je moet er vorm aan geven. Wat verandert, dat zijn die vormen. Vorm is wat muziek tot muziek maakt, de handschoen waar je inval in moet passen; het omhulsel. Zonder vorm kun je niets schrijven. Kijk, zonder inval ben je ook nergens, maar dan kun je je in ieder geval nog tot de twaalftoonsmuziek wenden. Dan ga je alle regeltjes na, zet je daarmee iets op papier, en heb je een `compositie'.''

Hoe de transformatie van inval, via vorm, naar compositie plaatsvindt, is voor Kox een even groot mysterie als voor een buitenstaander: ,,Voor de rest is er het grote zwijgen. Verder heb ik over het componeren níets te vertellen. Het gaat soms volkomen onbewust – ik vraag me wel eens af waarom ik bepaalde dingen zó heb genoteerd, terwijl ik het eigenlijk heel anders van plan was. Tijdens het componeren komt er bij mij een voelbaar mechanisme op gang dat zéér nadrukkelijk zegt: `dit is de goede weg'. Of `ho!' wanneer ik moet stoppen. Stop ik dan niet, dan wordt het inderdaad knoeiwerk. Het merkwaardige is dat als ik een goede oplossing heb gevonden, ik ook echt zeker weet dat het goed is.''

Ondank zijn intuïtieve werkwijze, ziet Kox het componeerproces wel als een worsteling: ,,Het is een groot gevecht, voor mij althans. Hoe het voor andere componisten ligt weet ik niet – praat me niet over Mozart die blijkbaar maar zelden moeite had met stukken. Maar hij is zo'n eenling, die steekt met kop en schouders boven ons allen uit, net als Bach. Ik voel mij meer verwant met mensen als Beethoven, Tsjaikovski en Mahler: wij moeten strijd leveren. Toen ik doorhad dat dát mij te wachten stond, meer dan vijftig jaar geleden, moest ik kiezen: ga je door met componeren of niet? Ik heb toen ja gezegd, ja, uiteraard. Inmiddels ben ik ongeveer tweehonderd werken verder.''

Hard hoofd

Kox heeft een sombere visie op de mensheid: ,,Ik ben zeer pessimistisch over het menselijke ras. We zitten in een diep dal. Misschien klauteren we er weer uit, maar vooralsnog heb ik er een hard hoofd in.'' Gevraagd naar de consequenties voor zijn muziek antwoordt hij retorisch: ,,Vind je mijn muziek vrolijk?'' Zijn werktitels zijn in dit opzicht veelzeggend: Tenebrae (`duisternis'), Umbrae Futurae (`schaduwbeelden van de toekomst'), Requiem for Europe – het is weinig opbeurend. ,,Vrolijke muziek bestaat niet'', rechtvaardigt hij zich met een citaat van Schubert. Zijn voorkeur voor pessimistische filosofen belijdt hij met paradoxaal enthousiasme: ,,Schopenhauer, Kierkegaard: ik zit helemaal in de hoek van de cultuurpessimisten. Ik kan het ook niet helpen. En natuurlijk Nietzsche – dat is gewoon leesvoer voor me.'' Een hedendaagse geestverwant vindt Kox in George Steiner: ,,Naar mijn smaak een van de beste cultuurfilosofen die wij hebben, met een cultuurpessimisme dat hetzelfde is als het mijne. En hij schrijft ook nog eens prachtig over muziek.''

Kox' pessimisme ontstond naar eigen zeggen in de Tweede Wereldoorlog. Hij was tien jaar oud toen die uitbrak. Zijn indrukken verwerkte hij onder meer in de Anne Frank Cantate (1984), die enkele zeer omstreden gruwelpassages uit het dagboek van een SS'er bevat. ,,Dat heeft zoveel reacties losgemaakt, pro en contra. Maar juist de voorstanders, ga even rechtzitten, waren mensen die de concentratiekampen hadden overleefd. Als díe nou tegen me hadden gezegd: `jongen je gaat véél te ver!' Tegen `politiek-correcte' tegenstanders heb ik mijn leven lang gestreden, maar voor mij was het duidelijk dat ik over dit onderwerp móest schrijven, opdat het niet vergeten wordt.''

Châlet

Vol enthousiasme vertelt Kox over zijn liefde voor het berglandschap. Deze ontstond toen hij in 1952 als tweeëntwintigjarig componeertalent werd uitgenodigd in het Zwitserse châlet dat dirigent Willem Mengelberg had nagelaten. Op Mengelbergs wandelschoenen – Kox kwam volkomen onvoorbereid naar de Alpen – maakte hij zijn eerste tochten, en ontdekte hij zijn `gevoel voor de bergen'. Kox is niet de enige componist met deze voorliefde: ,,Mahler, Strawinsky, Bruckner, Tsjaikovski, Rachmaninov: ik bevind mij in goed gezelschap. Ik heb in het Zwitserse Wallis een châlet niet ver van de plek waar Strawinsky zijn Sacre en Petrouchka heeft geschreven.''

Bij een componist als Mahler ligt het verband tussen zijn muziek en de overweldigende pracht van de bergen voor de hand: zijn Derde Symfonie maakte naar eigen zeggen het kíjken naar de bergen overbodig, en in de Zevende klinken zelfs koebellen als uit een hooggelegen alpenweide. Ook bij de amateurgeoloog en -alpinist Webern is een verband met het kristallijnen, minerale karakter van zijn muziek snel gelegd. Met betrekking tot zijn eigen muziek doet Kox er ook in dit opzicht het zwijgen toe: ,,Dat laat ik aan jullie over.'' Wel vertelt hij hoe de bergen hem muzikale ademruimte geven: ,,Ik ervaar Nederland als zeer benauwend. Laatst las ik dat er hier geen plek meer is waar het écht stil is. In de bergen kan je gemoedswereld zich vrij ontplooien. Ik heb ruimte nodig om te kunnen werken. Natuurlijk komt er dan een wisselwerking tot stand tussen het overweldigende berglandschap en de grootschalige werken die ik er heb gecomponeerd.'' Voor wie wil weten hoe dit allemaal uitpakt, heeft Kox slechts één advies: ,,Luisteren maar.''

12/5 Concertgebouw, Amsterdam: `Twaalf Monographieën' (Nederlandse première), `Pianotrio', `Galgentrio' en presentatie kamermuziek-cd. 19/5 en 20/5 Concertgebouw, Amsterdam: `Six one-act plays'. 26/5 De Doelen, Rotterdam: `Vioolconcert no. 4' (wereldpremière) en presentatie biografie. 5/6 Concertgebouw, Amsterdam: `Tenebrae' (wereldpremière). Inl. en geluidsfragmenten: www.hanskox.nl

`Vernieuwing

bestaat helemaal niet'

`Ik ervaar Nederland als zeer benauwend'