Festival toont dialoog films uit Marokko en het westen

De fez, de soukhs, de kasba en het drinken van muntthee, wie afgaat op Hollywoodfilms die zich afspelen in Marokko wordt onvermijdelijk geconfronteerd met deze stereotypen, te vergelijken met onze tulpen, molens en klompen. In de klassieker Casablanca (Michael Curtiz, 1942) wordt gelukkig nog netjes aan het begin uitgelegd waar Marokko ligt, waarna wordt ingezoomd op de stad Casablanca, een toevluchtsoord voor gespuis dat tijdens de Tweede Wereldoorlog een tijdelijk thuis vindt in Rick's Café, een nachtclub gerund door Rick – `I stick my neck out for nobody' – Blaine (Humphrey Bogart). In de een na laatste Marx Brothers-film A Night in Casablanca (1946) is Casablanca een vluchtplaats voor wat nazi's. Net als in Hitchcocks The Man Who Knew Too Much (1956) wordt de stad echter vooral gebruikt als kleurrijk decor.

Deze films illustreren op het Cinéma Maroc festival hoe westerse regisseurs terugvallen op stereotypen als het gaat om onbekende culturen. Dat `exotische' beeld kan vervolgens worden afgezet tegen films die beogen een representatiever beeld van de Marokkaanse cultuur te schetsen. Dat zijn veelal films van wat wel de nieuwe generatie Arabische auteurs wordt genoemd: cineasten die in kleine, persoonlijke films iets willen zeggen over het migrant zijn of het leven in een islamitische cultuur met westerse invloeden.

Vaak draait het in de Marokkaanse films om immigratie, remigratie, religieuze repressie en de zucht naar liberalere regels. Daar gaat het redelijk goed mee; vrouwen zijn in Marokko sinds een wetswijziging in 2002 gelijk aan de man en mogen een echtscheiding aanvragen. Dat vroeger wat somberder gesteld was, blijkt uit een aantal films waarin vrouwen vechten tegen strikte rolpatronen: Femmeset femmes (Saâd Chraïbi, 1998) en La plage des enfants perdus (Jillali Ferhati, 1991).

Door ook wat oudere Marokkaanse films op te nemen in het programma, biedt het festival een mooi overzicht van de thema's die filmmakers al drie decennia bezig houden. In de eerste helft van Hamid Bennani's Wechma (1970) wordt een vondeling verplicht elke dag de koran te lezen. Als hij betrapt wordt met een granaatappel in de hand in plaats van de koran wordt hij dan ook streng getuchtigd. In het docudrama Alyam-Alyam! (1977) duikt de droom van emigratie al op. Abdelwahab gaat liever naar Frankrijk dan voor een hongerloontje zware handarbeid op de akker te verrichten. De vrouwen vlassen touw en bakken brood, de mannen doorploegen de akker. De voice-over (en de film) documenteert dit zware leven en de behoefte het te ontvluchten.

In twee recente films staat een generatieconflict centraal tussen een in Frankrijk opgegroeide verwesterde jongen en zijn in Marokko geboren, gelovige vader. In deze openingsfilm van het festival, Le grand voyage, neemt de vader zijn onwillige zoon mee op reis naar Mekka, met de auto 4500 kilometer dwars door Europa naar Saoedi-Arabië. In het bescheiden maar visueel indrukwekkende Tenja vervult Nordine de wens van zijn overleden vader om hem in zijn geboorteland te begraven. Beide mannen leren onderweg de cultuur van hun vaders te respecteren. De dialoog tussen de islam en het westen is in deze films in ieder geval geopend.

Cinéma Maroc. 6 t/m 25 mei. In: Filmmuseum, De Balie, Amsterdam; Filmhuis Den Haag; 't Hoogt, Utrecht; Plaza Futura, Eindhoven.