Een kerstkaartje naar Kandahar

Voor Washington waren de Taliban in de jaren tachtig nog helden in de strijd tegen het communisme. Ze werden vergeleken met de revolutionairen die Amerika onafhankelijk hadden gemaakt. Een sublieme reconstructie, nu bekroond met de Pulitzerprijs, traceert een onheilige alliantie.

In december 1997 bracht een delegatie van de Taliban, onder wie drie ministers, een bezoek aan de Verenigde Staten. Ze deed eerst Washington aan, waar een Amerikaanse onderminister van buitenlandse zaken ze streng toesprak over vrouwenrechten, drugshandel, het opruimen van mijnen en de wenselijkheid van vrede in Afghanistan. Daarna werden de Taliban-leden ontvangen door Marty Miller, een Texaanse oliehandelaar die in Afghanistan pijpleidingen wilde aanleggen voor Unocal.

Miller meende te weten waar zijn Afghaanse gasten behoefte aan hadden na hun zware programma: ontspanning. Hij nam ze dus mee naar Mount Rushmore in South Dakota, liet hen rondleiden bij NASA in Houston, en ontving hen tenslotte in zijn suburbane woning, waar voor de gelegenheid de naakte standbeelden rond het zwembad discreet waren afgedekt met vuilniszakken. De aandacht van de Taliban ging echter uit naar de zeven kerstbomen in Millers huis. Ze konden de verleiding niet weerstaan en poseerden gehurkt bij de Amerikaanse kerstboom in een Texaanse woning. Een leuk souvenir, voor thuis in Kandahar.

Deze anekdote, uit Ghost Wars van de Amerikaanse journalist Steve Coll, geeft een goed inzicht in de relatie die de Amerikaanse autoriteiten onderhielden met de beweging van Mullah Omar nadat deze in 1995 de macht in een deel van Afghanistan had overgenomen. In tegenstelling tot Pakistan, Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten erkende Washington de Taliban niet als wettige regering van Afghanistan. Maar bestreden werden ze evenmin.

Ghost Wars heeft onlangs terecht de Pulitzerprijs voor non-fictie gewonnen. Steve Coll was van 1989 tot 1992 correspondent voor de Washington Post in Afghanistan. Als zodanig versloeg hij de aftocht van het Rode Leger en de bemoeienissen van de CIA in die tijd met het land. Ook daarna bleef hij de ontwikkelingen in Afghanistan volgen, een opmerkelijke prestatie gezien het feit dat niet alleen de CIA maar ook de meeste Amerikaanse journalisten het land na de Koude Oorlog links lieten liggen.

Coll begint met de inval van Sovjettroepen in Afghanistan in 1979. Vrijwel meteen daarna besloot de toenmalige president Jimmy Carter op aanraden van zijn veiligheidsadviseur Zbigniew Brzezinski tot tegenmaatregelen. De CIA kreeg toestemming om het Afghaanse verzet te ondersteunen. Doel was in eerste instantie de bezettingsmacht het leven zo moeilijk mogelijk te maken. Meer zat er volgens Washington niet in. Dat veranderde nadat onder Carters opvolger, Reagan, CIA-directeur William Casey zich met Afghanistan inliet. Casey beschouwde de Sovjet-inval als onderdeel van een wereldwijde communistische strategie om via conflicten in Derde Wereldlanden het Westen onder druk te zetten.

Blonde vrouwen

De behoudende en gelovige Casey had bovendien sympathie voor de religieuze strijders met een oud-testamentisch voorkomen, die de Sovjets uit Afghanistan wilden verdrijven. Een militante islam en een gespierd christendom waren volgens hem natuurlijke partners in de strijd tegen het communisme. Dat wil zeggen: de mujahedeen voerden oorlog, de Verenigde Staten droegen zorg voor de bevoorrading. Dat gebeurde indirect: geld en wapens werden afgeleverd bij de Pakistaanse geheime dienst, die ook de training verzorgde van de Afghaanse strijders. Zo was Washington in theorie twee stappen van het conflict in Afghanistan verwijderd.

De praktijk zag er iets anders uit. Het duurde niet lang voor avontuurlijk ingestelde geheime agenten en een enkel parlementslid hun eigen draai aan de bevoorrading van het verzet gaven. Afghanistan werd hun speelterrein, een exotisch gebied op enkele duizenden kilometers van Washington, waar het nog mogelijk was to raise hell zonder dat je door bureaucraten op je vingers werd getikt. Mannen als Charlie Wilson, een oerconservatieve Democraat uit Texas, die in Afghanistan `de langdurigste midlife crisis in de geschiedenis' wenste uit te zitten. In gezelschap van hoogblonde voormalige schoonheidskoninginnen bezocht Wilson trainingskampen aan de Afghaans-Pakistaanse grens, waar hij zich met zijn gezelschap liet fotograferen.

Hij liet het daar niet bij. Zeer tegen de zin van de CIA bemoeide Wilson zich vanaf 1984 ook rechtstreeks met de bewapening en financiering van het Afghaanse verzet. Honderden miljoenen dollars werden besteed aan het kopen van wapens, die de grens met Pakistan werden over gesmokkeld. Een jaar later liet ook Casey zijn schroom varen. In een geheim memorandum pleitte hij voor `het herstel van onafhankelijkheid voor Afghanistan'. De CIA kreeg de beschikking over een kwart miljard dollar verdubbeld door Saoedi-Arabië voor de strijd tegen de Russen in Afghanistan.

Het probleem was dat de CIA al die tijd afhankelijk bleef van de Pakistaanse geheime dienst. Welke groepering welk wapentuig kreeg, daar ging Washington niet over. Signalen dat hiermee de ene vijand voor de ander werd inwisseld waren er wel, maar werden niet opgepikt. De eerste die ervan hoorde was de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken George Shultz. Hij werd in september 1987 door zijn Sovjet-collega Edoeard Shevardnadze benaderd over samenwerking om de verspreiding van het islamitisch fundamentalisme in de regio tegen te gaan. Volgens Coll voelde Shultz er wel voor, maar was hij de enige in de regering-Reagan die er zo over dacht. Een jaar later registreerde een oplettende CIA-agent `een groeiende frustratie, grenzend aan vijandigheid' bij Afghaanse milities tegen Amerika en Pakistan. In 1992 constateerde de voorlopig laatste Amerikaanse ambassadeur in Kaboel, Peter Tomsen, na de val van de inheemse communistische leider Najibullah en de machtsovername door het verzet, dat Afghanistan uiteen dreigde te vallen in `koninkrijken', waardoor 'buitenlandse extremisten' vrij spel zouden krijgen. Afghanistan, zei hij met een vooruitziende blik, zou zich kunnen ontwikkelen tot het opleidingscentrum voor buitenlandse terroristen. Washington deed er niets mee.

Jonge jihadisten

In de eerste twee delen doet Coll meesterlijk uit de doeken hoe Afghanistan vanaf 1979 werd ontdekt door Casey en de CIA en vervolgens, na het einde van de Koude Oorlog, werd verwaarloosd. In het derde deel behandelt hij de opkomst van Osama bin Laden. De transformatie van de onstuimige jonge jihadist, die in 1990 zijn diensten aanbood aan de Saoedische leiders om Irak uit Koeweit te verdrijven, tot de belangrijkste terroristenleider ter wereld blijft een fascinerend verhaal. De chef van de Saoedische geheime dienst zegt dat de Iraakse inval in Koeweit `radicale veranderingen' veroorzaakte in de persoonlijkheid van Bin Laden: `Hij veranderde van een kalme, vreedzame en mild gestemde man [...] in een persoon die meende dat hij een leger op de been moest brengen en leiden om Koeweit te bevrijden. Daarmee openbaarde zich zijn arrogantie en hoogmoed.' De beslissing van Riad om de hulp van Amerika te accepteren bij de bestrijding van het leger van Saddam Hussein deed bij hem de stoppen doorslaan. Vanaf dat moment keerde hij zich tegen de Verenigde Staten en tegen de Saoedische regering, die hem het land uitzette. In Soedan en, vanaf mei 1996, in Afghanistan, hield hij zich aanvankelijk vooral bezig met het financieren van terreur. In februari 1998 riep hij voor het eerst op tot moord op Amerikaanse burgers. De CIA had vanaf januari 1996 een speciale eenheid, met de codenaam Alex, die zich bezig hield met het volgen van Bin Laden. Pogingen om hem onschadelijk te maken waren er wel, maar ze werden niet gesteund door het Witte Huis of halfhartig uitgevoerd. Op medewerking van de Taliban konden Amerika en Saoedi-Arabië in dit opzicht niet rekenen.

Coll geeft een meesterlijke reconstructie van de Amerikaanse inmenging in Afghanistan en de ongelukkige betrokkenheid bij de Taliban. Net zo knap is dat hij zijn verhaal niet louter uit Amerikaans perspectief vertelt. De verwikkelingen van de CIA in Afghanistan krijgen weliswaar veel aandacht (met als bonus fraaie portretten van Casey en George Tenet, de mannen die de geheime dienst in deze periode vorm en leiding gaven), maar ze worden in het perspectief geplaatst van de recente geschiedenis van de regio, inclusief het Midden Oosten. Terloops bevestigt Coll het beeld dat de journalist David Halberstam schetste in War in a Time of Peace (2001): de Clinton-jaren waren een rampzalig tijdperk voor de Amerikaanse buitenlandse politiek.

Dat wordt treffend geïllustreerd aan de hand van het bliksembezoek in februari 1998 van de toenmalige Amerikaanse VN-ambassadeur (en de huidige gouverneur van New Mexico) Bill Richardson aan de Taliban in Kandahar. Richardson sprak drie kwartier met zijn gastheren, onder meer over Osama bin Laden die kort daarvoor zijn fatwa over Amerikaanse burgers had uitgesproken. Zou de Taliban willen meewerken aan zijn uitlevering? Dat wilde de Taliban niet. Hun leiders verzekerden de Amerikanen dat Bin Laden geen fatwa kon uitspreken, omdat hij daarvoor het islamitische gezag miste. Daarmee was het gesprek ten einde. Richardson nam het vliegtuig naar een volgende afspraak.

Voor zijn vertrek had Clinton Richardson lacherig aangeklampt: ,,Hey, jeez, ik ben echt jaloers. Je gaat naar Afghanistan. That should be a lot of fun.'' Om eraan toe te voegen: ,,God, als we daar enige stabiliteit zouden kunnen krijgen. Dat zou prachtig zijn.''

Steve Coll: Ghost Wars. The Secret History of the CIA, Afghanistan, and Bin Laden, from the Soviet Invasion to September 10, 2001. Penguin, 695 blz. €20,96 (pbk)