`Democraten hebben geen argumenten'

De invloedrijke `Book Review' van The New York Times heeft een nieuw gezicht. Meer aandacht voor non-fictie, populaire literatuur en minder zwart-wit denken over Bush en de neoconservatieven, vertelt chef Sam Tanenhaus. `Links heeft last van culturele arrogantie.'

Voor iemand die de belangrijkste boekenbijlage van Amerika bestiert, heeft hij maar een klein kamertje, en dan ook nog zonder raam. Sam Tanenhaus, sinds vorig jaar april de nieuwe chef van The New York Times Book Review, zit achter een bureau, volgestouwd met boeken en stapels papier. Aan de muur achter hem hangt een kopie van de voorpagina van de meest recente Book Review met daarop een bespreking van het laatste boek van schrijver Jonathan Safran Foer. ,,Mja,'' Tanenhaus schudt minzaam het hoofd, ,,meestal pakt de recensie op de voorkant van ons katern positief uit, maar in dit geval niet.'' Hij zwijgt, dan ineens: ,,Zeg, wanneer ga je dit interview publiceren? Want als deze informatie voor half april naar buiten komt, hebben we een probleem. Dit is nog geheim.''

Overdreven voorzichtigheid? Niet echt. Wie weet wat voor een invloed de Book Review in de Verenigde Staten heeft, begrijpt dat Tanenhaus geen loze opmerking maakt. De New York Times is, met een dagelijkse oplage van 1,1 miljoen, een van de belangrijkste kranten in de Verenigde Saten en de boekenbijlage, die in het weekend bij zo'n 1,7 miljoen Amerikanen op de stoep terecht komt, heeft in het verleden de carrière van menig schrijver kunnen maken of breken. Veel auteurs, zo schreef een verslaggever van Metro New York, spreken met `een mengeling van ontzag en angst' over het katern, dat wordt vergeleken `met het Kremlin onder het Sovjet-bewind: een machtig instituut vol ondoorgrondelijke methoden en protocollen'. Tanenhaus vindt de vergelijking nogal overdreven. ,,We zijn nog steeds invloedrijk, vooral in het stimuleren van het commerciële succes van een boek. Als iets bij ons op de cover gunstig wordt besproken, de recensent een bekende naam is en de inhoud van het artikel controversieel, zorgt deze combinatie er geheid voor dat zo'n boek succesvol wordt. Maar de tijd dat wij allesbepalend zijn, is voorbij.''

Tot aan de jaren zeventig bepaalde de Book Review welke boeken er in Amerika gelezen moesten worden. Dit monopolie werd doorbroken met de opkomst van de meer intellectuele New York Review of Books, in 1963 opgericht tijdens een krantenstaking waardoor de boekenbijlage van The New York Times niet verscheen. Afgezien van dit blad hebben tegenwoordig tal van tijdschriften, variërend van The New Republic tot The New Yorker en The Nation een eigen boekenkatern en dragen televisieprogramma's als Oprah Winfrey's Book Club bij aan de popularisering van de literatuur. Daardoor zijn de tijden dat een enkele recensie op de cover een boek tot een bestseller deed uitgroeien volgens Tanenhaus voorgoed voorbij: ,,Maar dat is goed. De concurrentie heeft ons misschien minder machtig gemaakt, maar wel scherper.''

Tanenhaus begint, nu net een jaar in functie, langzamerhand zijn draai te vinden. Vorig jaar was er, nadat voorganger Charles McGrath had aangegeven op te willen stappen, maanden lang beraad wie de volgende boekenchef zou worden. Na lang wikken en wegen viel de keus op Tanenhaus, een boekenwurm en journalist bij bladen als Vanity Vair. Al snel deden geruchten de ronde dat de keuze voor Tanenhaus te maken had met de meer conservatieve richting die The New York Times werd opgestuurd onder leiding van Bill Keller die, kort daarvoor, zowel journalist David Kirkpatrick had aangesteld om de conservatieve krachten in de Amerikaanse samenleving te onderzoeken als de rechtse columnist David Brooks. Dat Tanenhaus voor `conservatief' wordt versleten komt doordat hij in 1997 een biografie publiceerde over Whittaker Chambers, een communistenvreter die, gedurende het tijdperk-McCarthy, een rol speelde in een van de meest opzienbarende rechtszaken uit de Amerikaanse geschiedenis. ,,Veel mensen in dit gebouw denken dat ik een of andere rechtse rakker ben omdat ik het in mijn boek opneem voor een anticommunist.'' Chambers, een voormalige agent van de Sovjet-Unie, getuigde in 1948 voor de House Un-American Activities Committee dat hij eind jaren dertig actief was geweest in een communistische ondergrondse groep in Washington. Onder de namen van medestanders die hij uit die periode kende, noemde hij ook Alger Hiss, een man die destijds een hoge overheidsposititie bekleedde. ,,Hiss ontkende, maar het bewijs, dat hij wel degelijk voor de Sovjet-Unie had gewerkt, kwam later boven tafel,'' zegt Tanenhaus. ,,Chambers had dus de waarheid verteld maar werd desondanks verguisd. Progressieven beschouwden hem als een pion in een rechtse samenzwering. Dit proces heeft een belangrijke rol gespeeld in het ontstaan van de naoorlogse Amerikaanse conservatieve beweging. Ik zie het als een beginpunt van het huidige wantrouwen tussen conservatieven en progressieven in Amerika.''

Kort na Tanenhaus' benoeming, werd er in diverse media gespeculeerd of de Book Review nu een conservatieve koers zou inslaan. Daarnaast waren er berichten dat Keller vooral de nadruk wilde gaan leggen op non-fictie en op commerciële lectuur. Dat laatste klopt volgens Tanenhaus niet. ,,We behandelen het hele spectrum van fictie, non-fictie en poëzie. Maar het is waar dat een groot deel van Amerika commerciële literatuur leest. Daarom bespreken we ook af en toe populaire schrijvers, zoals W.E.B. Griffin en Nora Roberts. Dit genre massmarket author is ook nieuw voor mij, ik heb geen idee wat voor soort boeken ze schrijven. Maar ik vind dat we niet snobistisch moeten zijn. Ik wil niet onwetend zijn over wat er in andere delen van het land wordt gelezen.''

Dat de Book Review recentelijk conservatievere auteurs en onderwerpen behandelt, kan Tanenhaus niet ontkennen. ,,The New York Times staat bekend als een progressieve krant, maar Keller heeft duidelijk gemaakt dat hij een breder ideologisch spectrum wil bestrijken. We hebben te maken met een conservatieve regering en een conservatief tijdperk, daar moet de krant zich op richten. De Book Review draagt hieraan bij door ruimte voor alle meningen te creëren. Dat is belangrijk aangezien de situatie in Amerika op dit moment zo gepolariseerd is, dat bijna alle publicaties extreem gekleurd zijn. Neem de New York Review of Books. Er staat geen artikel in dat niet sceptisch of vijandig tegenover de Bush-regering staat.''

Tanenhaus wil vooral meer inzicht brengen in het gedachtegoed van zowel Republikeinen als Democraten en een einde maken aan het zwart-wit denken over politieke kwesties. ,,Laatst heb ik Franklin Foer (de broer van schrijver Jonathan Safran Foer) een essay laten schrijven over isolationistische conservatieven, zoals Patrick Buchanan, die tegen de oorlog in Irak waren. De conservatieve beweging steekt een stuk ingewikkelder in elkaar dan vaak wordt gedacht. Ik wil onze lezers duidelijk maken dat zwart-wit denken over de oorlog in Irak niet opgaat, en dat het niet vanzelfsprekend is waar `links' en `rechts' staan.''

Een andere manier om de lezer bij politieke kwesties te betrekken is door af en toe meerdere auteurs af te drukken, die met elkaar over een onderwerp in debat gaan. In een recent nummer buigt een aantal redacteuren van progressieve bladen zich over de vraag of de Democraten ooit nog de grootste partij in Amerika kunnen worden. ,,Het resultaat was nogal teleurstellend. We wilden ons publiek laten weten wat invloedrijke linkse intellectuelen over progressieve politiek te zeggen hebben, maar het viel ons op dat er maar weinig ideëen werden geventileerd.'' Dat progressieven maar zo weinig te melden hebben is volgens Tanenhaus geen toeval, integendeel. ,,Elf september heeft enorm in het voordeel van deze regering gewerkt. De Democraten kunnen niet tegen Bush opboksen, ze hebben geen goede argumenten die aanslaan bij het grote publiek.''

Volgens Tanenhaus willen de Democraten maar niet inzien dat Bush een uiterst getalenteerd politicus is. ,,John Kerry vond gewoon geen aansluiting bij het grote publiek. De Democraten hebben last van culturele arrogantie. Ze zouden eens nauwkeuriger moeten kijken naar de geschiedenis van hun eigen partij. Er is een situatie ontstaan die vergelijkbaar is met de verkiezingsstrijd tussen Adlai Stevenson en Dwight Eisenhower in 1952. Destijds waren de progressieven en intellectuelen erg ingenomen met Stevenson. Hij kwam van een topuniversiteit, was welbespraakt, belezen en stijlvol. Toch won Eisenhower met gemak. Democraten konden maar niet begrijpen dat iemand kon verliezen van een generaal. Mijn theorie is dat dit het beslissende moment is geweest waarop de intellectuele klasse vervreemd is geraakt van haar eigen land.'' Volgens Tanenhaus zijn de Democraten, ondanks de electorale successen van Kennedy, Johnson, Carter en twee keer Clinton, de afgelopen halve eeuw vervreemd geraakt van het Amerikaanse publiek.

Links moet, wil het ooit nog wat voorstellen, volgens Tanenhaus zijn kernwaarden herdefiniëren. Ze moeten zich afvragen waarom het niet lukt om aansluiting te vinden bij het merendeel van de Amerikaanse bevolking. Een van de redenen is dat de Democraten alleen met een beschuldigende vinger wijzen naar de Republikeinen zonder zelf oplossingen aan te dragen. ,,Neem What's the Matter with Kansas?, het recente boek van Thomas Frank (besproken in Boeken, 20.08.04). Progressieve denkers hebben de argumenten in dit boek eindeloos aangedragen in de discussies over de laatste presidentsverkiezingen. Het punt dat Frank maakt is dat de Republikeinen het electoraat op een slimme manier voor de gek hebben gehouden. Het is hun gelukt om mensen, die normaal op de Democraten stemmen vanwege het sociale karakter van die partij, toch voor Bush te laten kiezen door progressieve politiek gelijk te stellen aan abortus, gelijke rechten voor homo's en allerlei `linkse' waarden die de hardwerkende Amerikaanse middenstander tegen de borst stuiten. Deze theorie gaat ervan uit dat mensen in Kansas eigenlijk te stom zijn om te weten waar ze op moeten stemmen. Daar ben ik het niet mee eens. Het is neerbuigend.''

Dat de onwetendheid van de Amerikaanse bevolking wordt gevoed door de invloed van bijvoorbeeld Fox News is ook een argument waar Tanenhaus niet gevoelig voor blijkt te zijn. ,,Fox wordt niet meer bekeken dan de voornaamste andere stations. Daarbij kan iedereen in dit land het internet gebruiken en de krant lezen. Nu is het wel zo dat een lokale krant in Ohio andere verhalen publiceert over de oorlog in Irak dan onze krant, maar het idee dat je niet zou kunnen weten wat er gaande is in bijvoorbeeld Irak, is misleidend. Daarbij ga je er opnieuw vanuit dat deze mensen te stom zijn om de waarheid te kunnen achterhalen.''

De Democraten gaan volgens Tanenhaus ook de mist in in de recente discussie over de eerste tekenen van een mogelijke democratische omwenteling in het Midden-Oosten. ,,Ik heb geen enkele analyse in de grote progressieve kranten of bladen gezien waarin wordt gezegd dat Bush met de inval in Irak misschien wel gelijk krijgt. Toen ik Paul Wolfowitz, op dat moment onder-minister van Defensie, een tijd terug interviewde voor Vanity Fair, zei hij dat de weg naar vrede in het Midden-Oosten misschien wel via Bagdad zou lopen en niet via Jeruzalem. Ik weet niet of dat juist is, maar wat mij wel opvalt is dat de voornaamste kritiek van progressieve zijde altijd maar weer is gericht op het feit dat de Bush-regering met valse informatie is gekomen om de oorlog in Irak te legitimeren. Dat is ook een belangrijk argument, maar Wolfowitz heeft wel een punt als hij zijn hoop uitspreekt dat landen als Egypte zich kunnen ontwikkelen tot een democratie. Maar dit pikken de Democraten helemaal niet op, die zijn alleen maar cynisch. Ze kijken alleen naar de zwakke punten van de Bush-regering. Ze zeggen telkens weer: wat is Bush toch een onontwikkelde boer. Dat vind ik een vorm van demonisering.''