Altijd de eerste

Aletta Jacobs heeft een vaste plaats in de historische herinnering veroverd als eerste vrouwelijke arts in Nederland en hardnekkig strijdster voor het vrouwenkiesrecht. Een nieuwe biografie doet haar recht, zonder van Jacobs een heilige te maken. Maar waar zijn haar opvolgsters?

We schrijven omstreeks 1860. Plaats van handeling is het Groningse dorp Sappemeer, ten huize van dorpsdokter Jacobs. De dokter, een liberale, geassimileerde en geseculariseerde jood, is ambitieus, hij wil dat zijn kinderen iets bereiken en hecht daarom aan een goede opleiding, ook voor zijn dochters. Om de kinderen te stimuleren geeft hij soms schrijfoefeningen op. `Kennis vergaren om die daarna ten algemeenen nutte aan te wenden, moet het hoogste streven zijn', zo luidt een van zijn favoriete regels. De kleine Aletta, achtste in de rij van elf kinderen en de lieveling van haar vader, moet de strekking van deze zin al vroeg op zich hebben laten inwerken. Als meisje van zes verkondigde zij al dat ze dokter wilde worden, zo schrijft ze vele jaren later in een terugblik op haar leven, al had ze op dat moment nog geen weet van de obstakels die haar nog te wachten stonden.

Zij heeft die overwonnen – het is bekend. Aletta Jacobs is het boegbeeld van het feminisme van de eerste golf en heeft als eerste vrouw in Nederland die werd toegelaten tot de universiteit, als de eerste vrouwelijke arts, als strijdster voor het vrouwenkiesrecht en in mindere mate als vredesactiviste een vaste plaats in de historische canon veroverd.

Jacobs' publicaties zijn nog altijd een genoegen om te lezen, vanwege hun intelligente redeneringen en de scherpe en vaak geestige manier waarop ze korte metten maakt met de bezwaren die haar tegenstanders opwerpen tegen de toelating van vrouwen in deze of gene positie. De belangrijkste toegang tot haar leven verschaften tot nog toe haar eigen Herinneringen uit 1924, waaruit zij vanwege de snoeverige toon overigens niet bepaald als een prettig mens naar voren komt. Later onderzoek bracht bovendien aan het licht dat deze autobiografie als bron hoogst onbetrouwbaar is, door de systematische uitvergroting van Jacobs' eigen rol en de al even systematische weglating van personen en omstandigheden die de schrijfster kennelijk niet van pas kwamen in het beeld dat zij van zichzelf wilde overbrengen.

Het was dan ook een goede gedachte om Jacobs op te nemen in de door het Prins Bernhard Fonds geïnitieerde biografieënreeks. De opdracht voor Jacobs ging naar de historica Mineke Bosch, die al eerder over Jacobs publiceerde en promoveerde op een historische studie over vrouwen in de wetenschap. Haar biografie, Een onwrikbaar geloof in rechtvaardigheid. Aletta Jacobs (1854-1929), werd vorige week aangeboden aan minister van Onderwijs Maria van der Hoeven. We kunnen ons afvragen of de ontvangster zich heeft gerealiseerd dat dit erg veel eer is voor een CDA-politica. Als er één politieke groepering is geweest die het verwezenlijken van Jacobs strijdpunten namelijk niet bevorderd heeft, dan zijn het wel de confessionelen geweest. Nu wil iedereen graag delen in de nalatenschap van Jacobs en zich laven aan haar heldinnenstatus. Maar laten we niet vergeten dat destijds de toelating van meisjes tot het hoger onderwijs noch het vrouwenkiesrecht aan onze christenpolitici te danken was, om over zoiets als de acceptatie van geboortebeperking maar te zwijgen. Jacobs had niet voor niets een uitgesproken afkeer van religie.

In Een onwrikbaar geloof heeft Mineke Bosch een indrukwekkend leven geboekstaafd. De meeste feiten uit het leven van Jacobs zijn wel bekend en in die zin biedt deze nieuwe biografie geen grote verrassingen. Maar wie het allemaal achter elkaar leest en tot zich door laat dringen, kan niet anders dan zich gewonnen geven aan iemand die zo doelbewust te werk is gegaan, zo trouw is gebleven aan haar principes en zo consequent en met kracht van argumenten haar plaats in de wereld heeft opgeëist. Het knappe aan deze biografie is dat die zo'n gevoel van grote bewondering weet op te wekken, zonder van Jacobs zelf opnieuw een heilige te maken.

Die heiligheid is een probleem waar de Jacobs-biograaf natuurlijk direct tegenaan loopt. De heroïsering van Jacobs als pionier en baanbreekster op veler gebied heeft zij zelf, over haar graf heen, met krachtige hand geregisseerd. Hoe daarmee om te gaan? Bosch is niet gezwicht voor de verleiding van de debunking. Wel relativeert ze de unieke betekenis van Jacobs op subtielere wijze. Ten eerste door in haar biografie uitgebreid plaats in te ruimen voor de omgeving van Jacobs. Hoofdpersonen uit de Nederlandse vrouwenbeweging, maar ook uit het internationale netwerk waarin Jacobs opereerde, worden uitgebreid geschetst. Daarmee komen trouwens niet alleen Jacobs' verdiensten in een reëler daglicht te staan, maar komt ze ook als persoon beter uit de verf. Uit de vele intensieve contacten die ze onderhield en uit de correspondentie die bewaard gebleven is, komt Jacobs niet langer naar voren als de ijdele en zelfingenomen schrijfster van de Herinneringen, maar vooral als een slimme strateeg en een hartelijke en meelevende vriendin.

Ten tweede nuanceert Bosch de eenzame koppositie van Jacobs door haar te portretteren als iemand die in sommige opzichten inderdaad voor de troepen uit liep – het valt niet te ontkennen – maar in andere opzichten bij uitstek een kind van haar tijd was. Zo maakt Bosch er veel werk van om te laten zien dat Jacobs' denken sterk beïnvloed was door destijds vigerende evolutionaire denkbeelden en negentiende-eeuwse beschavingstheorieën, inclusief de daarbij behorende westerse superioriteitsaanspraken.

Een andere moeilijkheid voor wie zich met Jacobs bezighoudt, is het feit dat zij een leven heeft geleid waarin het persoonlijke en het politieke in hoge mate samenvielen. Haar vriendinnen waren ook haar strijdmakkers en onenigheid over strategie of tactiek van de vrouwenbeweging leidde vaak ook tot een breuk in de persoonlijke omgang. De verwevenheid van de persoon met de zaak is door Jacobs' eigen toedoen helaas nog krachtig versterkt, doordat ze in de keuze voor wat ze voor het nageslacht wilde bewaren, nogal selectief te werk is gegaan. Dat wreekt zich in Een onwrikbaar geloof hier en daar wel in het ontbreken van een duidelijke privé-sfeer. Er zijn maar weinig momenten waarop de lezer echt een blik vergund wordt achter de schermen van het strijdtoneel, al kun je je ook afvragen of zich daar in een dergelijk verpolitiekt bestaan nog veel afspeelde. Uit haar talloze openbare optredens verschijnt Jacobs als een zeer gedisciplineerde vrouw, zelden op een moment van zwakte te betrappen, maar ook als een geliefd en charismatisch leidster, met een onuitputtelijke hoeveelheid energie en een grote overtuigingskracht. Hoewel ze niet bekend stond als een goed spreekster, wist ze overal waar ze het woord voerde haar aanhang te vergroten.

Al wordt het portret van Jacobs zelden intiem, op sommige momenten weet het niettemin wel degelijk te raken. Ontroerend is Bosch' beschrijving van het Groningse dorpsmeisje met zo'n overweldigende drang tot leren dat ze er letterlijk ziek van werd toen haar verlangen gedwarsboomd dreigde te worden. En op een aantal momenten heeft het er behoorlijk om gespannen. Haar jonge leven dreigde in depressie te verzanden tot het moment dat zij hoorde dat het voor meisjes mogelijk was het leerling-apothekersexamen te doen. Daarna is het eigenlijk opmerkelijk vlot gegaan. Aletta's vaste overtuiging dokter te willen worden bracht haar er op 17-jarige leeftijd toe om buiten medeweten van haar ouders een brief aan minister Thorbecke van Binnenlandse Zaken te schrijven. Ze had op dat moment het diploma voor leerling-apotheker op zak en verzocht Thorbecke om toelating tot de universiteit. Thorbecke liet snel iets van zich horen, zij het niet aan Aletta zelf, maar aan haar vader. Hij schreef dat hij de beslissing aan hem als vader overliet, maar dat hij zelf er geen bezwaar tegen had als zijn dochter de colleges volgde. De toestemming om ook de academische examens te mogen afleggen verleende hij echter nog niet; die stelde hij liever uit totdat de kwestie werkelijk urgent werd, tegen de tijd dat het propedeuse-diploma in zicht kwam.

Het bleef dus nog even spannend, maar in elk geval kon Jacobs zich nog in 1871 als studente geneeskunde aan de universiteit van Groningen laten inschrijven. Daarmee was de toegang tot de universiteit voor vrouwen formeel vrijgemaakt, al duurde het nog even voordat Jacobs' voorbeeld werd gevolgd. De tweede reguliere vrouwelijke student meldde zich pas in 1877. Zij was Aletta's oudere zuster Charlotte, na voltooiing van haar studie de eerste vrouwelijke apotheker in Nederland.

Deze doorbraak was naar Jacobs' eigen zeggen een prestatie die vooral door eigen vastberadenheid en wilskracht was bereikt, met op de achtergrond de vaderlijke stimulans. Daarin had ze natuurlijk ten dele gelijk: ze bezat deze eigenschappen in ruime mate. Toch wijst Bosch terecht op een aantal andere omstandigheden, zoals het uitermate nuttige joodse netwerk van haar vader, met daarin verlichte geesten als Levy Ali Cohen en Samuel Rosenstein, wier bemoeienis met Jacobs opleiding op enkele momenten van cruciaal belang is geweest. En natuurlijk de liberale voorman Thorbecke, die haar in 1872 nog op het nippertje de definitieve toelating tot de studie verleende – hij overleed een paar dagen later – zodat zij niet alleen de colleges mocht bijwonen, maar ook de academische examens kon afleggen.

Jacobs bekroonde haar studie met een promotie, en ook daarin was zij uiteraard de eerste vrouw. Afgezien van haar studiejaren moet ook de periode daarna, die ze doorbracht in Londen zeer vormend zijn geweest voor haar verdere leven. Zij maakte er kennis met andere vrouwelijke artsen, met neo-malthusianen, sociale hervormers, vrijdenkers en kiesrechtstrijders. Zij kwam er, kortom, met idealen in contact die haar de rest van haar leven zouden blijven inspireren. Aanvankelijk lag bij Jacobs nog sterk de nadruk op het medische werk. Na terugkeer in Nederland vestigde zij zich als `doctoresse' in Amsterdam, waar ze naast haar gewone praktijk al spoedig begon met een gratis spreekuur in de Jordaan, speciaal voor minvermogende vrouwen. Uit deze tijd stammen ook haar inspanningen voor geboortebeperking. Ze gaf voorlichting en verstrekte op haar spreekuur zelf `de middelen', waaronder de net op de markt gekomen uitvinding van dokter Mensinga, het pessarium.

Dat Jacobs niet geneigd was zich bij het gewone en bestaande neer te leggen, bleek opnieuw uit de liefdesrelatie die zij aanging met Carel Victor Gerritsen. Gerritsen was gemeenteraadslid in achtereenvolgens Amersfoort en Amsterdam en ook enkele jaren Kamerlid voor de Radicale Bond. Een officieel huwelijk wilde geen van beiden aangaan onder de heersende huwelijkswetgeving, die een getrouwde vrouw tot een afhankelijk en handelingsonbekwaam persoon reduceerde. Als reden voor het feit dat ze de stap in 1892 alsnog namen, uiteraard onder strikte huwelijkse voorwaarden, noemt Jacobs haar verlangen naar een kind.

Het moederschap was haar echter niet gegeven. In 1893 beviel zij van een zoontje dat dezelfde dag nog overleed. Jacobs schreef dit drama toe aan een fout van de verloskundige. Het blijft een beetje mistig wat zich in de kraamkamer heeft afgespeeld. Jacobs moest na de bevalling een `operatie' ondergaan, die er waarschijnlijk toe geleid heeft dat zij geen kinderen meer kon krijgen.

Bosch schrijft met grote sympathie over Gerritsen, die trouwens ook bij Jacobs' vriendinnen altijd zeer goed in de smaak viel. Zijn werk en opvattingen, zijn sociale hervormingsplannen, zijn enorme feministische boekenverzameling, de reisverslagen die hij maakte van de lange fietsvakanties met Jacobs komen uitgebreid aan bod. Over Gerritsen zelf komen we op die manier heel wat aan de weet, maar veel zicht op hun persoonlijke omgang of hun `verbond', zoals Jacobs het noemde, wordt de lezer niet geboden. Hun correspondentie, waarover Jacobs nog beschikte toen ze tegen het eind van haar leven werkte aan haar autobiografie, moet ze daarna hebben vernietigd.

Een onwrikbaar geloof is een rijk boek, waarin Bosch een geweldige hoeveelheid materiaal heeft verwerkt en waarin zij personen en episodes die Jacobs zelf uit haar leven heeft geschreven weer boven water weet te krijgen. Het is met zijn ruim 800 pagina's ook een dik boek geworden. Bosch schrijft in haar inleiding ernaar te hebben gestreefd om alles te zien dat maar enigszins aan Jacobs refereert. Voor een biograaf lijkt me dat een zinvol streven, maar of zij er ook goed aan heeft gedaan om zoveel op te schrijven, is een tweede. Uit de tekst zelf spreekt bij vlagen een hang naar volledigheid die ten koste gaat van de leesbaarheid.

Op andere momenten werkt het nauwgezette volgen der gebeurtenissen juist weer wel. Meeslepend zijn vooral de hoofdstukken over de strijd voor vrouwenkiesrecht. Aanvankelijk zag Jacobs niet zoveel in de aparte vrouwenorganisatie op dit punt, maar de ervaring leerde al snel dat de kwestie bij de bestaande politieke partijen niet in veilige handen was. De socialisten voerden de strijd voor algemeen kiesrecht weliswaar in hun vaandel, maar als het erop aan kwam, betekende dit voor hen in de eerste plaats verruiming van het mannenkiesrecht (dus ook stemrecht voor arbeiders). Het vrouwenkiesrecht was daaraan, zeker in de ogen van voorman Troelstra, ondergeschikt.

De beweging voor vrouwenkiesrecht lokte Jacobs steeds meer uit haar spreekkamer en op het politieke podium, waar ze uiteindelijk full time te vinden was. Als presidente van de Nederlandse Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht verkreeg Jacobs haar grootste bekendheid en beleefde zij het toppunt van haar roem. De propagandastrijd bracht haar niet alleen in alle uithoeken van Nederland, maar voerde haar ook de wereld over. Hoewel het aan conflicten en scheuringen in het kiesrechtwereldje niet ontbrak, voorzag de internationale kiesrechtbeweging Jacobs ook van een uitgebreid vriendinnennetwerk, waarop zij, zeker na de vroege dood van Gerritsen in 1905, zwaar leunde.

Jacobs reisde extreem veel in haar late jaren, ook in de Eerste Wereldoorlog toen de kiesrechtbeweging haar doelstelling tijdelijk omboog tot een vredesinitiatief. Het besluit, genomen op het grote Vrouwencongres voor Vrede in Den Haag in 1915, om de daar aangenomen resoluties aan te bieden aan staatshoofden en regeringsleiders, betekende dat Jacobs opnieuw haar koffers moest pakken voor een diplomatieke missie, die haar dit keer bracht tot in het Vaticaan en het Witte Huis.

De kiesrechtkwestie werd na de oorlog weer opgenomen. De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht liet weinig wegen onbenut om regering en Kamerleden duidelijk te maken dat het menens was. Het passief kiesrecht dat de vrouwen in 1917 ongevraagd en ongewild kregen toegeschoven, werd nadat de verontwaardiging geluwd was – `wat betekent voor ons verkiesbaarheid zonder kiesrecht?' – niet geheel en al versmaad. Het bracht Jacobs, hoog geplaatst op de lijst van de Vrijzinnig Democratische Bond, nog bijna in de Kamer. Het duurde daarna nog twee jaar totdat, zonder enige ophef en onder opzichtig vertoon van desinteresse van regeringszijde, het actief vrouwenkiesrecht een feit was. Het was, zo schreef een teleurgestelde medestrijdster, `alsof men met een ontzaglijke inspanning een prachtig schip heeft uitgerust om de wijde zee te bevaren, en men onverwachts dit schip ziet binnengeloodst in troebel, stilstaand water'. Deze domper weerhield de vrouwen er overigens niet van de behaalde overwinning met uitgebreide feestelijkheden luister bij te zetten.

In de geest van haar object geeft Bosch haar slotwoord nog een feministische zwiep door de hoop uit te spreken dat haar biografie een les en inspiratie mag zijn voor een ieder die de emancipatie van vrouwen nog ter harte gaat. Dat is mooi gezegd, maar het is lastig te bepalen wat de betekenis van dit leven voor de huidige tijd nog is. Duidelijk is wel dat Aletta Jacobs veel bewonderaars heeft, maar weinig echte nazaten, in de zin van vrouwen, of mannen natuurlijk, die heel systematisch opkomen voor de vrijheid, de ontplooiingskansen en de belangen van vrouwen. De Kamer telt er op dit moment eigenlijk maar één. Een van de lessen die uit Een onwrikbaar geloof in rechtvaardigheid te trekken zijn, namelijk dat feministische belangen relatief het veiligst zijn in liberale handen, had dit kamerlid eerder al op eigen kracht getrokken. Het was dan ook passender geweest als Ayaan Hirsi Ali als eerste deze kloeke biografie in ontvangst had mogen nemen. Bij alle kritiek op toon en tactiek strekt het haar wellicht tot steun dat ook Jacobs bekritiseerd, gehoond en beschimpt is, voor haar inzet in een strijd die achteraf door iedereen als gerechtvaardigd wordt beschouwd.

Mineke Bosch: Een onwrikbaar geloof in rechtvaardigheid. Aletta Jacobs 1854-1929. Balans, 819 blz. €37,50