Weerasethakul overrompelt met magische momenten

Er zijn van die films die de recensent machteloos maken. In de eerste plaats doordat hij met zijn medium taal de volle film niet kan omvatten. En nog meer doordat hij weet dat, hoe enthousiast hij er ook over schrijft, hooguit een zeer klein deel van de lezers zich door zijn recensie zal laten aansporen om naar deze film te gaan.

Tropical Malady is zo'n film. Hij was geselecteerd voor de hoofdcompetitie van Cannes, vorig jaar. Ruim de helft van het publiek liep voortijdig de zaal uit. Desondanks won de Thaise regisseur Apichatpong Weerasethakul de juryprijs.

De vorige film van Weerasethakul – hij heeft zijn naam niet mee; buitenlanders mogen hem `Joe' noemen – was Blissfully Yours die in 2003 in Nederland uitging. Bianca Stigter begon in deze krant haar recensie met de zin: ,,De kans is groot dat u in slaap valt tijdens het kijken naar Blissfully Yours'', om hem daarna uitbundig te prijzen.

Tropical Malady is al even hypnotiserend. In het eerste uur zien we de schijnbaar zachtmoedige hofmakerij tussen de soldaten Keng en Tong. Het zijn kalme minuten van dolen door de stad, knietjevrijen in de bioscoop, karaoke bij een straatpodium, schuilen voor de regen. Er zitten beelden van grote schoonheid bij, zoals van Tong die in de fabriek grote blokken ijs zaagt. Maar over het algemeen straalt de film hier een zelfverzekerd sober realisme uit. De camera vangt de twee geliefden haast terloops op tussen de andere mensen.

Hoewel. De film begint bij een groepje militairen dat aan de rand van het oerwoud lachend poseert bij het lijk van een boer. Ze dragen het lijk mee naar hun hoofdkwartier, kletsen, flirten door de walkietalkie met het meisje van de radiocentrale. Zo lopen ze door de velden en het bos. Als zij het bos uitlopen, blijft de camera stram staan tussen de grashalmen en de struiken. Dan gaat hij zachtjes naar voren. Het is maar een kort moment, maar het is de eerste aankondiging van de magie. De soldaten zijn de personages die we zien, maar hier is ook nog iets onzichtbaars dat zelf ziet. Wij krijgen het pas in het tweede uur te zien, als de film onnavolgbaar is gekanteld.

Na een uur laat de schroomvallige Tong de schijnbaar brutalere Keng ineens achter, 's avonds, midden op de weg. Weerasethakul laat het beeld tergend lang op zwart, voor hij een geschilderde tijger toont en tussentitels vertellen over de legende van een sjamaan die naar het lichaam van een tijger verhuisde en als demon de dorpelingen en het vee aanvalt.

Vanaf dit moment speelt de film zich af in de jungle en in de geest van de kijkers. Hier kunnen wij niet meer opaan van wat Weerasethakul ons laat zien. Hier gaat het ook om de betekenis die wijzelf aan de beelden, geluiden en teksten toekennen. Dat er een verband is tussen wat we nu zien en wat er in het eerste uur was, is duidelijk. Maar het is vooral suggestief. Hier wordt de liefdesrelatie tussen Keng en Tong nog eens overgedaan, maar nu in de versie van jager en prooi en bovendien in een omgeving die vrijwel geen aanknopingspunten meer biedt. In de jungle zijn wij alleen met de wilde beesten en de demonen. Hier moeten wij wennen aan het feit dat een aap kan praten. (Heel vriendelijk: hij waarschuwt de soldaat voor de demon die hem najaagt.) Hier zien wij de ziel van een karbauw naar een boom verhuizen. En als de beelden zijn weggestorven en het doek zwart is, horen we nog het hijgen en kermen van het oerwoud en kunnen we ons nog altijd niet van de demon bevrijden.

In het eerste deel van Tropical Malady bereidt Weerasethakul ons subtiel voor op de overrompelende magie van het tweede deel. Daar pakt hij weergaloos uit en toch heb je niet het idee dat je gemanipuleerd wordt om alleen maar de particuliere hersenspinsels van een toevallige regisseur voor lief te nemen. Het worden je eigen hersenspinsels.

Tropical Malady (Sud pralad). Regie: Apitchatpong Weerasethakul. Met: Banlop Lomnoi, Sakda Kaewbuadee. In: Rialto, Amsterdam; Filmhuis, Den Haag; 't Hoogt, Utrecht.