Stop groteske uitspraken over Europese Grondwet

Het debat over het Europees Grondwettelijk Verdrag heeft in Nederland en in Frankrijk groteske vormen aangenomen. Zo droeg de Franse president Jacques Chirac gisteravond in een tv-interview munitie aan voor Nederlandse en vooral Britse tegenstanders van het verdrag. Zijn bedoeling zal dat niet geweest zijn. Hij probeerde alleen Fransen tot instemming met het verdrag te verleiden.

Met het oog op de referenda op 29 mei (Frankrijk) en 1 juni (Nederland) zwaaien voor- en tegenstanders van het verdrag met argumenten die niets te maken hebben met de honderden verdragsartikelen. Het zijn onverbloemde pogingen tot intimidatie van de vele burgers die de gevolgen van alle artikelen over de samenstelling, de werking en het beleid van de Europese Unie niet overzien.

Bonter dan de Franse president het gisteravond maakte, is bijna niet mogelijk. Hij zei bij herhaling dat het Europese verdrag ,,de behoefte aan een grote Europese markt en de behoefte aan sociale harmonisatie met elkaar verbindt''. Hij verzekerde de Franse kiezers dat die Europese harmonisatie gebeurt op het niveau van de landen met de beste sociale wetgeving. Alle onrust in Frankrijk over het risico van afbraak van sociale voorzieningen om te kunnen concurreren met lidstaten van de Europese Unie in Oost-Europa, zou ten onrechte zijn.

Maar als er íéts is dat de Europese Unie tot nu toe niet wil, dan is het wel een harmonisatie van het sociale beleid van de lidstaten. In Groot-Brittannië geldt de gedachte aan een geharmoniseerd Europees sociaal beleid als een gruwel. De Britse premier Tony Blair, die volgend jaar een referendum over het Europese verdrag wil houden, zal Chirac dan ook niet dankbaar zijn voor diens strategie om Fransen voor het Europese verdrag te winnen. Nederland heeft ook nooit iets willen weten over een geharmoniseerd Europees sociaal beleid. Het onderwerp komt in het Europese verdrag dan ook niet voor.

Wat Chirac gisteravond deed, is kenmerkend voor de discussie in Frankrijk en Nederland. Er worden veel losse flodders afgeschoten zonder dat het tot een debat met tegenstanders komt over de vraag hoe het met Europa verder moet. Er worden interessante analyses gemaakt van de motieven van tegenstanders van het verdrag, alsof het geesteszieken zijn. Maar van discussie is weinig te merken. Dat kan ook moeilijk, als iemand roept dat met dit verdrag Europa een superstaat wordt, wat met geen enkel verdragsartikel aangetoond kan worden.

Een debat is ook lastig als burgers ongerust zijn over de economie. Regeringen hebben jarenlang verklaard dat de euro, de uitbreiding van de Europese Unie en de coördinatie van het economische beleid van de lidstaten tot een geweldige economische groei zouden leiden. Nu zegt de Franse socialistische oud-premier Lionel Jospin, Chiracs politieke tegenstander, bij een poging om net als de president Fransen tot aanvaarding van het Europese verdrag over te halen, dat economische problemen een nationale zaak zijn waarmee Europa niets van doen heeft.

Angst om onder te gaan in een groter Europa, speelt een grote rol bij deze verwarring over een verdrag dat ten onrechte een Grondwet wordt genoemd. Verdedigers van het verdrag zwaaien al gauw met het argument dat het regelt dat nationale parlementen bezwaar kunnen aantekenen tegen voorstellen voor Europese wetgeving van de Europese Commissie. Ze zeggen er niet bij dat er geen enkele zekerheid is dat een voorstel dan ook van tafel verdwijnt. En ze vertellen ook niet dat de bezwaren van een parlement van een klein land in Brussel altijd minder indruk zullen maken dan die van een groot land. De Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Bot zei ooit: ,,Iedereen weet dat de grote landen meer macht hebben dan de kleine. Als een groot land ergens tegen is, zegt iedereen: we gaan een compromis zoeken. Als een klein land tegen is, krijgt het twee kansen en dan is het pschittt!''

Bij een werkelijk debat over Europa zou het om de vraag moeten gaan hoe de Europese landen ervoor kunnen zorgen dat ze op wereldniveau iets te vertellen hebben en zij hun afhankelijkheid van supermacht Amerika en een opkomende macht als China kunnen beperken. President Chirac roerde dat punt gisteravond aan. Hij zei dat Frankrijk alleen weinig voorstelt en dat een gemeenschappelijk Europees standpunt veel meer indruk maakt op het wereldtoneel. Het absurde is dat hij daaruit niet de consequentie trok dat Europa politiek een eenheid moet worden. Integendeel, hij hamerde erop dat Frankrijk autonoom beslist welk buitenlands beleid het voert. Een nieuwe Europese minister van Buitenlandse Zaken kan niets doen als Frankrijk – net als iedere andere Europese lidstaat – een veto uitspreekt. Zo stelde hij de Franse kiezers gerust die bang zijn om in een groot Europa te verdwijnen.

Het Europees Grondwettelijk Verdrag, dat volgens de Franse oud-president Giscard d'Estaing vijftig jaar houdbaarheid heeft, biedt ook geen uitzicht op een politiek geïntegreerd en democratisch Europa. De argumenten die in Nederland en in Frankrijk in de referendumcampagnes worden gebruikt, concentreren zich vooral op de vraag welke macht individuele landen binnen Europa kunnen behouden. Het debat moet gaan over de vraag of we een politiek Europa willen of niet. En over de gevolgen van zo'n keuze die met de zogenaamde Europese Grondwet door middel van compromissen behendig is vermeden.

Ben van der Velden is oud-correspondent van NRC Handelsblad in Brussel en auteur van het boek `De Europese onmacht'.