Goedmaken wat je ouders verkeerd deden

Kinderen van oorlogsbetrokkenen kampen nog steeds met de gevolgen. Bijvoorbeeld na de ontdekking dat vader actief lid is geweest van de NSB.

De eerste keer dat Selma, geboren in 1958, een 4 mei-herdenking bijwoonde, was halverwege de jaren negentig op de Noordermarkt in Amsterdam. ,,Dat was vreselijk zwaar. Ik kon niet tussen de mensen staan. Ik heb me aan de rand van de menigte opgesteld, begon te huilen en ben niet meer gestopt met huilen.'' Ze voelde zich ,,helemaal misplaatst'' omdat haar vader fout was geweest in de oorlog.

Tot haar achttiende wist Selma niets van het oorlogsverleden van haar vader. Ze kwam er toevallig achter. Een vriend van haar oudere zus stuitte op een dag thuis per ongeluk op nationaal-socialistische lectuur. ,,Op zijn vraag `Wat moet jouw vader daar nu mee?' heeft mijn zus de kwestie aan mijn vader voorgelegd. En toen kwam het verhaal.'' Hoe hij lid was geworden van de Nationale Jeugdstorm van de NSB.

Selma: ,,Hij was heel actief, droeg altijd zijn speldje en was erg trots op zijn functie en uniform.'' Hoe hij in 1943 bij de SS wilde, maar werd afgekeurd omdat hij ,,niet arisch genoeg'' was. Hoe hij een jaar later alsnog mocht toetreden omdat er niet meer voldoende ariërs voorhanden waren voor de SS.

Voor Selma was de kennismaking met dit verleden ,,een grote schok''. Haar familienaam wil ze niet in de krant. Niet dat ze zich schaamt voor zichzelf of deze geschiedenis. Sinds enkele jaren durft ze ermee naar buiten te treden. Maar voor haar oudere broers en zussen ligt dat anders. Sommige neefjes en nichtjes kennen dit verhaal, anderen niet. Zestig jaar na dato staat de Tweede Wereldoorlog als een muur tussen de familieleden. Aan de ene kant degenen die openlijk met het verleden om willen gaan, aan de andere kant degenen die een deksel op de geschiedenis willen doen.

Voor hulpverleners van Stichting Cogis, het `landelijke kenniscentrum vervolging, oorlog en geweld' te Utrecht zijn april en mei elk jaar weer drukke maanden. Teamleider Joop Lamboo: ,,Zowel wat betreft de eerste als tweede generatie. Mensen zien verschrikkelijk tegen de herdenking op. De media rakelen heel veel op.'' Precieze cijfers zijn niet voorhanden, maar op jaarbasis kloppen honderden kinderen van foute ouders aan om hulp en informatie.

Lange tijd was dat niet vanzelfsprekend. In de jaren zeventig drong door dat de Tweede Wereldoorlog naast materiële schade ook immateriële effecten op de lange termijn tot gevolg had, voor zowel slachtoffers als daders en hun familie en kinderen. Er bestonden wel lotgenotencontacten maar die kenden een verzuild karakter. Gaandeweg is de hulpverlening geïnstitutionaliseerd en geprofessionaliseerd. Tegenwoordig is er een woud aan stichtingen, uitkeringsinstanties en (psycho)therapeutische hulpverleningsinstellingen. Lamboo stelt dat de ,,hausse'' in de aanvragen voor hulpverlening door tweede generatiekinderen onderhand voorbij is: ,,Rond 1990 werd het probleem echt duidelijk. Vervolgens stegen de hulpaanvragen tot 2000. Nu zijn de aanvragen stabiel of zakken zelfs wat.''

Selma was bijna 35 toen ze professionele hulp zocht. Jarenlang had ze geworsteld met het oorlogsverleden van haar in 1979 overleden vader. Ze vond het ,,heel beangstigend'' te kijken naar documentaires over de oorlog, omdat ze bang was het gezicht van haar vader te zien. En er was altijd de angst voor ontdekking, het ,,gevoel van ontmaskering, als je je achternaam noemde''. Het zwaarst vond Selma dat zij zich schuldig voelde over wat haar vader had gedaan: ,,Je probeert goed te doen wat je ouders verkeerd deden.''

Voor zichzelf moest ze bewijzen dat ze geen extreemrechtse sympathieën had en dat ze aan de ,,andere kant'' stond. ,,Een zelfopgelegde taak'', aldus Selma. Met de opkomst van de Centrumpartij in de jaren tachtig sloot ze zich aan bij actiegroepen. Volgens Joop Lamboo is het niet toevallig dat klachten bij de tweede generatie juist vanaf het dertigste levensjaar opduiken: ,,Rond die leeftijd begint iedereen zich achter de oren te krabben. Je loopt dan tegen dingen aan: je durft geen kinderen te nemen, toont angst om samen te wonen of te trouwen.''

Selma meldde zich aan bij de Werkgroep Herkenning, een in 1981 opgerichte stichting die kinderen van foute ouders met elkaar in contact brengt en praatgroepen coördineert. ,,Het was een enorme opluchting dat mijn buurvrouw in het gesprek zei dat haar vader bij de SS had gezeten en dat niemand verschrikt opkeek.'' Na haar therapie begeleidde Selma vier jaar lang andere gespreksgroepen. ,,Daarna was het wel klaar voor mij. Ik was redelijk losgekomen van de geschiedenis van mijn vader. Ik wilde verder. Het was niet meer zo belangrijk voor mijn identiteit.''

Tot op zekere hoogte kan Selma zich haar vaders pad tijdens de oorlog voorstellen, maar het heeft nog steeds pijnlijke aspecten: ,,Hij was 17 toen de oorlog uitbrak en hij maakte die keuze. Op de een of andere manier is dat volgbaar, hoe afschuwelijk de nazi-ideologie ook was. Maar dat hij ná de oorlog niet is gaan nadenken, dat is voor mij gewoon niet te bevatten.''

Met de zestigste herdenking van de bevrijding heeft Selma geen moeite meer, in tegenstelling tot vroeger. ,,Natuurlijk roept de herdenking weer van alles op. Maar eigenlijk vind ik dat goed. Soms zakt het allemaal een beetje weg, terwijl het mij wel voor een belangrijk deel heeft gevormd. Als je me tien jaar geleden had gevraagd naar dit verleden, had ik geantwoord dat het een zware last is waar ik nooit meer van af zou komen. Nu zijn er hele periodes dat het niet in mijn bewustzijn zit. Het is niet meer zo'n persoonlijke zwaarte. Maar binnen de familie blijft het een onderwerp voor 's avonds laat, met een borrel.''