Goed verdienen in commissies

De vergoedingen voor adviescommissies zijn te hoog, vindt de Tweede Kamer. Welke commissies zijn er en hoe komen die vergoedingen tot stand?

Wat mogen leden van adviescommissies van ministeries verdienen? In elk geval niet meer dan een ministerssalaris, vindt de Tweede Kamer. Hoe kan het dan dat Paul Rosenmöller als voorzitter van een door het ministerie van Sociale Zaken ingestelde commissie 1.360 euro per dag verdient, exclusief BTW, met een maximum van 70.720 euro per jaar? ,,Omgerekend naar vijf dagen zou hij ruim 350.000 euro verdienen, dat is twee, bijna drie keer zoveel als een ministerssalaris van ruim 120.000 euro'', zegt Frans Weekers, Tweede-Kamerlid namens de VVD. Hij en leden van GroenLinks, fractievoorzitster Halsema en Tweede-Kamerlid Duyvendak, stelden hierover gisteren schriftelijke vragen.

Een woordvoerder van Binnenlandse Zaken legt uit dat Nederland een ,,dubbel stelsel'' kent. Dubbel op twee manieren, zelfs. Er zijn twee vergoedingsregelingen: één voor adviescolleges die vallen onder de in 1997 in werking getreden Kaderwet adviescolleges, zoals de Raad voor het Openbaar Bestuur en de Gezondheidsraad, en één voor alle andere adviescommissies die zijn ingesteld bij wet, koninklijk besluit of ministerieel besluit. De commissie Participatie van Vrouwen uit Etnische Minderheden (PaVEM), waarvan Rosenmöller sinds april 2003 voorzitter is, valt onder deze laatste regeling.

Beide regelingen kennen ook weer twee soorten vergoedingen waartussen het verantwoordelijke ministerie een keuze moet maken: een bedrag per vergadering; of een vaste, maandelijks of jaarlijks uit te keren, vergoeding.

Binnenlandse Zaken benadrukt dat in de twee vergoedingsregelingen alleen maxima staan. De ministeries mogen zelf afspraken maken met leden en voorzitters van commissies, zolang zij zich maar aan deze maxima houden. ,,De vergoeding kán dus ook een fractie van de genoemde bedragen zijn'', zegt een woordvoerder van het ministerie. De ministeriële regelingen waarin de vergoedingen worden vastgelegd, hoeven niet te worden voorgelegd aan Binnenlandse Zaken. Dit departement kan dan ook geen overzicht geven van alle vergoedingen die door de ministeries worden uitgekeerd.

Uitgerekend de partij van Rosenmöller, GroenLinks, vindt dat er wel zo'n overzicht zou moeten komen. De partij deed vorig jaar al eigen onderzoek naar de `schaduwmacht' van invloedrijke politieke commissies en pleitte er toen voor deze meer aan banden te leggen. Halsema en Duyvendak willen dat openbaar wordt gemaakt wat de beloning is van alle leden van rijkscommissies, liefst meteen bij hun benoeming. Ook vinden zij dat het kabinet de hoogte van de vergoedingen moet heroverwegen. In hun schriftelijke vragen verwijzen zij naar de ,,discussies rond beloning aan de top''. Kamerlid Weekers (VVD) noemt de honorering van de voorzitter van de commissie PaVEM ,,exorbitant hoog''. Hij vindt dat deze ,,niet past in de beloningsstructuur van het publieke domein''.

Uit de vragen van zowel GroenLinks als de VVD blijkt dat de Kamerleden niet goed op de hoogte zijn van de richtlijnen die er gelden voor de beloning van leden van adviescommissies. Weekers vraagt om `openbaarmaking' van deze richtlijnen, hoewel deze dat al zijn.

De maximale vergoeding voor leden van adviescolleges is vastgelegd in het Vergoedingenbesluit Adviescolleges uit 1996. Alle andere commissies, ook PaVEM, waar Rosenmöller voorzitter van is, vallen onder het Vacatiegeldenbesluit 1988. Hierin staat dat de vaste vergoeding wordt vastgesteld ,,al naar gelang het tijdsbeslag en de zwaarte van de werkzaamheden''. Het maximum is 50 procent van schaal 19 voor rijksambtenaren: 4.145 euro bruto per maand.

Het ministerie van Sociale Zaken bevestigt dat in het contract met Rosenmöller afspraken staan over het tijdsbeslag van zijn functie. De werkzaamheden nemen één dag in de week in beslag. Omgerekend zou hij dus maximaal 829 euro per dag moeten ontvangen. Sociale Zaken kan vooralsnog niet verklaren waarom het bedrag van 1.360 euro boven dit maximum uitkomt. Het departement, dat ongeveer vijftien commissies telt, inventariseert momenteel welke vergoedingsregelingen er worden gehanteerd en of deze op hetzelfde niveau liggen als bij andere ministeries.