Boze macht Blair heeft Britten behekst

De Britse premier Tony Blair, die naar verwachting de verkiezingen morgen wint, ontleent zijn charisma aan de waan dat hij een groot leider is. Maar het gevoel van verraad is groot, stelt Tim Parks.

Toen ik twaalf jaar was gaf mijn vader, de anglicaanse pastoor van een parochie in Noord-Londen, na de kerk altijd een lunch waar ook wel eens het plaatselijke parlementslid kwam. Dat was een ongewone MP, want het was een vrouw: beleefd, geparfumeerd, eerbiedig, bereid met elke aanwezige te praten, want mijn vader nodigde voor deze buffetten mensen uit van alle soorten en klassen. Later was deze beleefde vrouw met haar blauwe frutselhoeden verantwoordelijk voor de vernietiging van de vakbonden en het `sociale bloedbad', zoals het door velen – misschien overdreven – werd bestempeld. Margaret Thatcher.

Dichter bij het hart van de Britse politiek ben ik nooit geweest. Ik ging weg uit Londen in 1981, toen het land ernstig verdeeld was: de Labourpartij werd grotendeels beheerst door de vakbonden en steunde onvoorwaardelijk het naoorlogse socialisme en de verzorgingsstaat; de Conservatieven waren opgeleefd door hun ontdekking van het neoliberalisme, door de gedachte dat een genationaliseerde industrie geprivatiseerd kon worden, dat gemeentehuizen verkocht konden worden, dat een particuliere ziektekostenverzekering misschien een interessante manier was om de belasting te verlagen, en vooral dat een mijnwerkersstaking kon worden neergeslagen, ook als dat betekende dat er een jaar geen steenkool werd geproduceerd.

Dit waren tijden waarin het iedereen volstrekt duidelijk was waar hij voor stemde. De thema's waarover mensen verdeeld waren, de thema's die van belang leken, waren ook de thema's waarover de partijen verdeeld waren. Elke zomer als ik naar huis kwam, moest ik eerst nagaan aan welke kant mijn vrienden stonden voordat ik mijn mond opendeed. Ondanks alle geschillen lijkt die periode achteraf gezien een tijd van onschuld, in elk geval in de duidelijkheid die er bestond.

Verbijsterd door de reeks verkiezingsnederlagen in de jaren '80 schoof de Labourpartij op naar het centrum. Ingrijpende sociale hervormingen werden van het programma geschrapt, evenals eenzijdige nucleaire ontwapening; de vakbonden werden beroofd van hun macht om het partijbeleid te beïnvloeden.

Maar dat was nog niet genoeg. De intellectuele gevestigde orde in Londen veroordeelde Thatcher eensgezind. Vrienden die aan universiteiten werkten, kwamen geschokt tot de ontdekking dat ze geen vaste aanstelling meer kregen. Toch bleven de Conservatieven winnen en trokken ze ook veel stemmen uit de arbeidersklasse, ondanks de ontmanteling van de steenkool-, staal- en auto-industrie. Voor mensen die werk hadden, waren dit geen slechte tijden.

De laatste druppel voor Labour kwam toen de Conservatieven de inmiddels impopulaire Thatcher hadden laten vallen, maar met de zachte en verstandige John Major toch nog een laatste verkiezing wisten te winnen. Aan het einde van diens ambtsperiode zou de Labourpartij 18 jaar niet aan de macht zijn geweest. Uit die intense frustratie werd het Blairisme geboren.

Was de Labourpartij onder andere leiders naar het centrum opgeschoven, Blair maakte nu een drastische ruk naar rechts, alsof hij met de Conservatieven wedijverde in liberalisme en monetarisme. Hij beloofde dat er geen industrieën opnieuw genationaliseerd zouden worden en hij zegde krachtige steun toe aan het Britse kernwapenprogramma. Hij kon alleen worden gevolgd door een totaal gedemoraliseerde Labourpartij. In het bikkelharde kiesstelsel van Groot-Brittannië heeft alleen een grote en verenigde partij kans om aan de macht te komen. Daardoor er is een traditie van partijtrouw, ook als dat niet bepaald van harte gaat.

Wat was het verschil bij de verkiezingen van 1997 tussen Major en Blair? Politiek gesproken was dat te verwaarlozen. De retoriek ging uitsluitend over zorgzaamheid en solidariteit en modernisering, woorden die ideologisch geheel onbesmet waren. Maar wat Blair mee had was charisma, nieuwheid en een ongeëvenaard vermogen om de media te manipuleren. New Labour, zoals hij het noemde, zou dezelfde economische stabiliteit bieden als de Conservatieven hadden bereikt, maar dan zachtaardiger, ruimhartiger.

Toen ik kort voor die verkiezingen in Engeland terug was, merkte ik dat oude vrienden die altijd Conservatief hadden gestemd, bereid waren op Blair te gaan stemmen. Degenen die altijd al Labour stemden, waren zeker van de overwinning, maar ze waren ook ietwat gedesoriënteerd, zoals wanneer mensen die nooit voor jouw club geweest zijn, meer van een succes genieten dan jij. En de spelers tot overmaat van ramp ook nog eens andere kleuren dragen.

De eerste keer dat ik Blair beangstigend vond, was toen ik op de televisie de begrafenis van lady Diana zag. Blair las voor uit de bijbel en hield een hartstochtelijke toespraak. Verontrustend was zijn vastbeslotenheid om de emoties die dit sterfgeval opriep te manipuleren en te annexeren. De alarmbel rinkelde vooral omdat hij zich opwierp als dynamisch, gelovig man aan het hoofd van zijn volk. Met zijn minister van Financiën Gordon Brown als verstandig beheerder van een economie die onder de Conservatieven ook al bloeide, kon de winst bij de verkiezingen van 2001 hem eenvoudig niet ontgaan.

En toen kwam Irak.

Saddam Hussein kon binnen drie kwartier in Londen toeslaan met massavernietigingswapens, hield Blair het Britse parlement voor. Binnen drie kwartier vernietigt Saddam Groot-Brittannië! Geloofde hij het zelf? Wanneer we afgaan op de inlichtingen en adviezen die hij kreeg, moet hij dan wel in een zeer bijzondere staat van paranoia en lichtgelovigheid hebben verkeerd.

Waarom trok Blair dan ten oorlog? Om Saddam te verdrijven? Er zijn wrede dictators te kust en te keur. Om de olie van het land te bemachtigen? Tegen welke prijs – menselijk, economisch en politiek? Om trouw aan Amerika te blijven? Groot-Brittannië bleef weg uit Vietnam zonder de verhouding met de Amerikanen in gevaar te brengen, en zelf hadden de VS tot tweemaal toe wel heel lang nodig voordat ze in de twee grote oorlogen van de afgelopen eeuw Groot-Brittannië te hulp kwamen.

Misschien is de waarheid wel simpeler en deprimerender. Blair ontleent zijn charisma aan de waan dat hij een groot leider is. Thatcher en Major hadden allebei hun oorlog (de Falklandoorlog en de eerste Golfoorlog). Dit Conservatieve stuk grondgebied diende ook te worden ingenomen.

Het is moeilijk uit te leggen hoe sterk het gevoel van verraad in Groot-Brittannië is, nu duidelijk wordt dat de geheime diensten zelf niet eens in die massavernietigingswapens geloofden. Het merendeel van de Britten is geen pacifist, maar ze willen wel graag het idee hebben dat hun land geen oorlog begint als dat niet absoluut noodzakelijk of zelfs in hun belang is. Ze geloven niet dat politici helemaal eerlijk zijn, maar ze verwachten ook niet dat politici herhaaldelijk met hun hand op hun hart en misschien ook nog wel op een bijbel het parlement voorliegen. Ook als een leider tot de andere kant van het politieke spectrum behoort, wordt aangenomen dat hij of zij als het om oorlog gaat toch in elk geval een minimum van integriteit aan de dag zal leggen.

En toch lijkt Blair opnieuw te gaan winnen. In maart was ik tien dagen in Londen. Er heerste een gevoel van impasse en ontreddering. De Conservatieven, die hun hele politiek aan Labour zijn kwijtgeraakt (Gordon Brown beweert zelfs de erfgenaam van Thatcher te zijn), hebben geen nieuwe koers of sterke leider weten te vinden. Intussen hebben degenen met socialistische sympathieën eenvoudigweg niemand om op te stemmen. Ze hebben een hekel aan Blair, maar een nog grotere hekel aan de Conservatieven.

Het enige thema waarover de partijen sterk verdeeld zijn, en waarbij de Conservatieven in het voordeel zijn, is Europa: de goedkeuring van de Europese Grondwet, de invoering van de euro. Conform hun liberale traditie zijn de Conservatieven tegen, Blair is voor. Maar Blair heeft het thema doeltreffend verwijderd uit de verkiezingscampagne, door een referendum over de Grondwet te beloven en aan te kondigen dat de toetreding tot de euro nog minstens vijf jaar – de zittingsperiode van het parlement – wordt uitgesteld. Oftewel: u kunt Labour stemmen zonder voor Europa te stemmen. En Blair heeft ook laten doorschemeren dat hij zelf in de volgende parlementsperiode zal opstappen. U kunt Labour stemmen zonder Blair te krijgen, of in elk geval niet al te lang. Het is te begrijpen dat niet iedereen ervan overtuigd is dat hij de waarheid spreekt.

Het zou al te theatraal zijn om te zeggen dat de democratie altijd onvolmaakt is vermoord. Het lijkt meer of ze is betoverd door een boze macht, behekst, verlamd. In 2001 stemde maar 56 procent van de kiezers, de laagste opkomst uit de geschiedenis. Naar verwachting wordt het ditmaal 51 procent. Blair zelf is helaas pas 51 jaar.

Tim Parks is schrijver. Hij woont in Italië.