Bind jongeren met sociale dienstplicht

Sociale dienstplicht voor schoolverlaters heeft het voordeel dat zij in aanraking komen met situaties en problemen waarmee ze vroeg of laat ook zelf te maken krijgen, meent Ton de Kok.

Pleidooien voor en tegen invoering van sociale dienstplicht zijn na 20 jaar weer terug. In de jaren '80 lag onder invloed van de tijdgeest nog een banvloek op het begrip `verplichting', zoals ik als CDA-Kamerlid merkte toen ik het onderwerp sociale dienstplicht op de agenda wilde krijgen. In Opinie & Debat van 23 april pleitte Paul Benjaminse voor invoering om zodoende betrokkenheid bij de samenleving te vergroten. Lex Borghans en Bart Golsteyn zien er niets in (Opiniepagina, 28 april).

De leeftijdgrens die Benjaminse voorstelt, van 14 tot 45 jaar, is discutabel. Een groot deel van zijn doelgroep is mede schuldig aan wat Benjaminse waarneemt, namelijk dat onder invloed van veel factoren de maatschapij begint te ontbinden. Het heeft weinig zin te proberen deze groep alsnog wat `socialer' te maken. Bovendien: je moet van goeden huize komen wil je de groep dertigers en veertigers nog verplichten tot het verrichten van maatschappelijke taken. Geen enkele politicus zal zich ooit aan zo'n idee wagen.

Maar sociale dienstplicht voor jongeren is in het verleden door nogal wat politici wel degelijk interessant gevonden, ook al toonde men niet de moed om het nader te onderzoeken. Vandaag ligt de samenleving er nog wat moeilijker bij dan in de jaren '80. Gelukkig zijn, dankzij Balkenende, normen en waarden terug in het debat. Maar wie zich zorgen maakt over de toekomst van onze samenleving en haar cohesie, heeft ook de plicht te zoeken naar nieuwe beleidsinstrumenten. De sociale dienstplicht kan zo'n nieuw instrument zijn.

Wanneer het voorstel van Benjaminse wordt teruggebracht naar een dienstplicht alleen voor alle schoolverlaters, wordt het veel eenvoudiger en neemt het de critici Borghans en Golsteyn veel wind uit de zeilen. Zij betoogden onder meer dat in het voorstel van Benjaminse 8 procent van alle arbeid in een soort planeconomie moet worden geregeld en dat het praktisch organiseren en controleren van een dergelijk systeem tot chaos leidt. Die argumenten gaan niet op als de sociale dienstplicht wordt beperkt tot de schoolverlaters. De arbeidsmarkt zal dan nog geen 2procent verplichte arbeid moeten opvangen en dat moet qua organisatie en controle geen probleem zijn, als een competente organisatie zich daarmee belast.

Het zou goed zijn als schoolverlaters – naar hun aard en belangstelling – kunen kiezen uit de volgende sectoren: zorg, natuur en milieu, veiligheid, politie, sociaal-cultureel werk en defensie. Dienen in de krijgsmacht zou nadrukkelijk een keuzemogelijkheid moeten zijn. Met enige spijt denkt men daar terug aan de tijd dat met die relatief goed gemotiveerde, goed opgeleide en sociaal gedifferentieerde lichtingen jonge mannen goed kon worden gewerkt. Wat ik als Kamerlid in de commissie Defensie, bij de discussies over het afschaffen van de militaire dienstplicht, toen al vreesde, is immers bewaarheid: de krijgsmacht heeft een selectieprobleem, is een toevluchtsoord voor kansarmen, en verschiet van kleur. Maar behalve als keuzemogelijkheid voor de (sociaal) dienstplichtige kan Defensie ook een rol spelen bij de eventuele uitvoering van het hele project. Per slot van rekening is de militaire dienstplicht niet afgeschaft, maar opgeschort. De Dienstplichtwet, de deskundigheid en de organisatiestructuren zijn (nog) voorhanden en kunnen worden geoperationaliseerd.

Eind jaren '80 zagen we dat jongeren nuttig konden worden ingezet in veel sectoren in de zorg. En er waren maar weinig instellingsdirecteuren die het idee van sociale dienstplicht afwezen. Er was zelfs brede overeenstemming over de zin van een onderzoek naar de haalbaarheid daarvan. Alleen tegenstanders kwamen met het argument dat je ,,toch geen ongemotiveerde dienstplichtigen op geestelijk gehandicapten of bejaarden kan loslaten''. Men verkeerde in de merkwaardige veronderstelling dat plicht per definitie ongemotiveerd maakt.

Ook Borghans en Golsteyn zijn van mening dat verplichting tot ongemotiveerdheid zal leiden. Ze geven het voorbeeld van het `lanterfanten' van de militair-dienstplichtigen van vroeger. Maar uit twaalf jaar ervaring bij de krijgsmacht is mij gebleken dat de dienstplichtigen van toen heel goed te motiveren waren.

Sociale dienstplicht voor jongeren lijkt in de context van alle maatschappelijke onvrede van vandaag de dag en de zorg over de toekomst een nieuw maatschappelijk beleidsinstrument. Dienstplicht kan in onze post-moderne multiculturele samenleving een nieuwe weg zijn om bij jongeren het sociaal verantwoordelijkheids- en inlevingsgevoel te optimaliseren. Gedurende hun diensttijd (van een jaar) zullen jongeren, zwart en wit, meiden en jongens, generatie na generatie, in aanraking komen met situaties en problemen waarmee ze vroeg of laat ook zelf te maken krijgen. Zij zullen kennismaken met de grote dilemma's van het leven: met pijn, emoties en verdriet. Ze zullen op jonge leeftijd gaan beseffen dat hun materiële en virtuele werkelijkheid zeer tijdelijk en wankel is en dat de samenleving het niet kan stellen zonder praktische naastenliefde.

Dr. Ton de Kok was voorzitter van de Commissie gehandicaptenbeleid van de Tweede-Kamerfractie van het CDA. Hij is nu docent levensbeschouwing op het Fons Vitae Lyceum in Amsterdam.