Rechts economisch beleid Labour

Sinds Tony Blair de militante vakbonden het zwijgen heeft opgelegd heeft het Britse bedrijfsleven weer het volste vertrouwen in Labour. Met name in de financiële architect van de partij, minister Gordon Brown.

Als er één reden is, waarom de Labour-partij donderdag voor de derde achtereenvolgende keer de Britse verkiezingen wint, is het de economie. De meeste Britten hebben meer fiducie in het economische beleid van Labour dan in dat van de Conservatieven, zo blijkt uit opiniepeilingen.

Dat spreekt allerminst vanzelf, want in het verleden was het meestal andersom. Premier Tony Blair en zijn minister van Financiën, Gordon Brown, hebben er echter sinds hun aantreden in 1997 bewust alles aangedaan het bedrijfsleven de ruimte te geven om zich te ontplooien.

Voortbouwend op een basis die al door de Conservatieven was gelegd, is dat grotendeels gelukt. De Britse economie is de afgelopen jaren aanzienlijk sneller gegroeid dan die van andere West-Europese landen. En, anders dan onder de Tories tussen 1979 en 1997, zijn het niet alleen de rijken die ervan hebben geprofiteerd. Er bleef genoeg over om de minder gegoeden te laten meedelen.

Daarmee heeft Labour de Conservatieven een enorme troef uit handen geslagen. ,,Labour is er in geslaagd zijn grootste zwakheden te begraven'', erkent Iain Duncan Smith, die zelf anderhalf jaar geleden werd gewipt als leider van de Conservatieven. ,,Voordien dachten de mensen dat de vakbonden weer aan de macht zouden komen, als Labour won. Ze hebben de kiezers ervan weten te overtuigen dat dat niet meer zo is. Daardoor hebben ze het een stuk moeilijker voor ons gemaakt.''

Naar Europese maatstaven gemeten voert de Labour-regering een uitgesproken rechts beleid. Niet alleen is ze vriendelijk voor het zakenleven en stelt ze de belangen van de vakbonden meestal op het tweede plan, ze hecht er bovendien aan de Britse arbeidsmarkt van Europese bemoeienis te vrijwaren.

Aan beperkingen op de werktijden en nieuwe rechten voor werknemers heeft de regering-Blair even weinig boodschap als vroegere Conservatieve kabinetten. Brown betitelt de sociale bepalingen van het EU-verdrag van Maastricht openlijk als ,,desastreus voor de werkgelegenheid'' en hij is vastbesloten vast te houden aan de vrijwaringsclausule, die Groot-Brittannië al onder het Tory-kabinet van John Major bedong.

Labours behoudende beleid maakt het moeilijk voor de Conservatieven zich te onderscheiden, zonder in de radicaal rechtse hoek te belanden. Tory-leider Michael Howard wil in zijn eerste begroting vier miljard pond (zes miljard euro) minder uitgeven dan Labour. Een peulenschil op een begroting, die dit jaar 518,6 miljard pond (795 miljard euro) omvat. Naarmate de jaren vorderen zou de kloof in de uitgaven van beide partijen echter iets verder groeien.

Veel Conservatieven menen dat de partij radicalere voorstellen had moeten doen tot belastingverlaging, maar dat durfde Howard niet aan uit angst kiezers te verliezen, die zien aankomen dat de gezondheidszorg en het onderwijs de dupe worden van minder financiële armslag van de overheid.

Blair en Brown roepen trouwens nu al om het hardst dat de Nationale Gezondheidsdienst en het onderwijs zullen achteruitgaan, mochten de Conservatieven aan het bewind komen. Dankzij forse financiële injecties van Labour zijn zowel de ziekenhuizen als de scholen er na vele jaren van neergang iets beter aan toe, al zijn veel deskundigen per saldo teleurgesteld over het effect van de inspanningen van de regering.

De Liberaal-Democraten, na de twee groten de derde partij van het land, is als enige wel bereid tot een forse belastingverhoging. De rijksten, die meer dan 100.000 pond (153.310 euro) per jaar verdienen, zouden een loonbelasting van 50 procent tegemoet kunnen zien. Met de opbrengst wil de partij studenten gratis laten studeren, terwijl ook gepensioneerden op meer fiscale steun kunnen rekenen.

Het bedrijfsleven heeft gemerkt dat er goed valt te leven met het bewind van Blair en Brown, zoals Sir Digby Jones, de voorzitter van de werkgeversorganisatie CBI vorige week in een artikel in de Financial Times erkende. Hij had in 1997 nooit gedacht, schreef hij, dat de Britse economie na acht jaar Labour een stabiele groei zou vertonen en dat de vermogenswinstbelasting de laagste van Europa zou zijn.

Intussen maakt het zakenleven zich wel zorgen over de weigering van Blair en Brown om te beloven dat er geen verhoging van de winstbelasting zal komen. Digby Jones stelt dat de bedrijven dit jaar al circa 106 miljard pond (162 miljard euro) aan belastingen ophoesten en dat dat bedrag echt niet hoger moet worden, wil de Britse economie concurrerend blijven.

Brown zit echter met een aantal problemen. Hij heeft, mede met het oog op de verkiezingen forse investeringen in scholen en de gezondheidszorg op stapel staan. Bovendien heeft hij aan bepaalde groepen zoals gepensioneerden, gezinnen met kinderen en nieuwe huizenkopers, fiscale cadeautjes beloofd. Hij kan het begrotingstekort net beneden de 3 procent houden als de belastinginkomsten meezitten.

Dat laatste is echter de vraag. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat de economie aan tempo begint te verliezen. Huizenpijzen stagneren, winkels zetten minder om en het aantal winstwaarschuwingen van Britse bedrijven groeit. Zo kan een derde Labour-kabinet wel eens met economische tegenwind te maken kunnen krijgen. Dat is een nieuwe ervaring voor Blair en Brown. Vooral voor Brown, de gedoodverfde opvolger van Blair, is het een weinig lonkend perspectief.