Live in Madurodam

Ook genoten van de knuffelbaarste volkszanger aller tijden, Frans Bauer, en zijn hartverwarmende ode aan Nederland, uitgevoerd op het jubileumconcert voor koningin Beatrix in Haag? Fransje Bauer is met voorsprong de volkszanger die nu eens niet geplaagd wordt door een overmaat aan blues, spleen, drankzucht, of de opgepijpte jolijt waar zijn concurrentie zo goed in is. Maar wat zong hij nu precies, in `Nederland, mijn vaderland'?

Hij zong: `Daar waar ik ben geboren/ Mijn wiegje heeft gestaan/ Een stipje op de aarde/ Maar groot in zijn bestaan/ Jouw hart geeft zoveel liefde/ Een plek voor iedereen/ Nee, geen mens kan om ons kleine landje heen.'

Volgt een opsomming van onze grootsheid: `De wereld kent de molens/ De klompen, onze dijk/ Maar onze grote daden/ Zetten menig land te kijk.'

En het refrein: `Nederland, mijn vaderland/ Jouw hemel kleurt oranje/ Met een mooie gouden rand/ Nederland, mijn vaderland/ Ik heb je lief, mijn Nederland.'

Dan nog een wat meer aardrijkskundig couplet: `De populieren wuiven/ Het boerenplatteland/ De heuvels in het zuiden/ Of de stille waterkant/ De vlag wordt weer gehezen (sic – vermoedelijk polder-Nederlands)/ Heel Nederland dat zingt/ Voor het rood, wit, blauw, en onze koningin.'

Kortom, een sentimenteel lied dat de mentale geografie van het vaderland goed samenvat. Behept met een beschaafd zelfbeeld (`een plek voor iedereen') en een onchauvinistisch gepresenteerd chauvinisme, maar toch ook altijd bang om niet opgemerkt te worden in de echte grote wereld. Eigentijds ook, want de nationale aanmaning om maar gewoon te doen (omdat je dan al gek genoeg doet) ontbreekt. Het zijn juist weer onze `grote daden' die de hele wereld te kijk zetten.

Voordat Bauer zijn best deed op het Malieveld, liet de majesteit zich vieren met een jubileumconcert op de Dam. Louter klassieke muziek. Geen spoortje van het schmierende patriottisme dat het Malieveld doorweekte. In plaats daarvan een warme maar toch ook afgewogen en zakelijke waardering van inzet en prestaties van de vorstin. Geen aubade met wild kloppend hart voor de volksmassa, maar een waarderende tussenrapportage van de culturele business unit Oranje door de elite. Onze jonge premier probeerde Malieveld en Dam nog enigszins aan elkaar te knopen door het werkwoord `houden van' te overwerken, maar het bleven toch twee gescheiden werelden, daar in Den Haag en Amsterdam.

Beatrix is veel geprezen de afgelopen weken om haar getoonde betrokkenheid bij de zenuwzieke toestand waarin het land verkeert. Dat laatste verdient ook waardering, sterker nog: het had nog wel een tandje meer gemogen, dus ook buiten de meditatieve kersttoespraken om. Maar opvallend in de regering van deze vorstin vanaf de jaren tachtig is toch eerder, hoezeer ze zich heeft verbonden aan een nationale elite en hoe weinig ze bewust steun heeft gezocht of gemobiliseerd onder `het volk', inclusief de generaties nieuwkomers die nu huns ondanks in het middelpunt van een collectief zelfonderzoek zijn beland. Oranje bood vanouds een identificatiemogelijkheid voor het volk tegenover de regenten, en hielp zodoende de politieke en sociale checks and balances in de Nederlandse verhoudingen te bewaren. Maar van die traditie was onder Beatrix weinig te bespeuren. Eerder was ze lange tijd de favoriet van een elite die haar in feite beschouwde als de nuttige secretaresse van de bv Nederland en heimelijk, meer dan het volk, republikeinse voorkeuren koesterde.

Dat ze daar verandering in brengt door zich meer uit te spreken over de spanningen in de samenleving, is nodig. De behoefte aan nationale binding, troost en gevoel is immers evident en verklaarbaar. Naarmate traditionele verhoudingen en loyaliteiten afkalven in de dynamiek van de moderne wereld, en de vertrouwde grenzen tussen culturele, religieuze en nationale identiteiten vervagen, zal die hang naar heldere slogans over identiteit alleen maar toenemen. Europa, de islam, de globalisering, het zijn prikkels voor een hernieuwd gevoel van collectieve eenheid, of dat nu reeël is, virtueel (zoals bij jonge moslims die op internet dromen van de umma) of gefantaseerd.

Dat spel van onthechting aan tradities en constructie van nieuwe, afgeslankte identiteiten is in Nederland sinds het optreden van Pim Fortuyn haarscherp waar te nemen. Zijn Nederland was een gedroomd vaderland. Een land van fatsoenlijke, hardwerkende en ruimdenkende mensen, dat niet meer chagrijning, ongelukkig en `verweesd' was, maar waarin de spannende prikkels van de moderne prestatiemaatschappij zouden worden gecombineerd met de kleinschalige knusheid van de jaren vijftig. Fortuyns Nederland kende met andere woorden zowel de individuele rechten die de Verlichting had geijkt, als de warme, organische gemeenschapzin van de Romantiek. Fortuyn was trouwens in die zin geen vijand van de politiek correcte politics of identity die wil opkomen voor culturele groepsrechten. Hij droeg alleen een identity uit die een maatje groter was dan normaal. Ook uit recent onderzoek blijkt weer, dat een overgrote meerderheid van de Nederlanders vooral een sociaal land wil.

Het probleem van zulke benaderingen is dat politici geen nieuwe `binding' of vertrouwen in de toekomst kunnen oproepen door het woord maar eindeloos te herhalen, terwijl het beleid hamert op de noodzaak de pas te versnellen om bij te blijven in een veranderende wereld die alles overhoop gooit.

Zolang dat toekomstbeeld zélf niet als uitdagend of wervend wordt ervaren, heeft het weinig zin uit te roepen dat het maar eens afgelopen moet zijn met negativisme (ook een negatieve boodschap, tenslotte). Het zou toch ook paradoxaal zijn Nederland te vernieuwen door Madurodam in het groot na te bouwen.

Veel van de ophef over onze identiteit, over cultuurpolitiek en canons, dreigt trekken te krijgen van een gepolitiseerd eliteproject dat moet uitmonden in een nieuwe intellectuele Leitkultur. Is dat wat de meeste Nederlanders willen? Beatrix kan beter naar Frans Bauer luisteren.