Hout maakt zelf houtskool

Almelo is groot in houtskool. Van alle houtskool voor barbecues in Nederland komt 90 procent van Carbo in Almelo. En de weinig luidruchtige onderneming, die voor 30 miljoen euro per jaar aan houtskool verkoopt, veroverde ook veertig procent van de barbecues in Engeland. Eén op de drie Duitsers stookt op kooltjes uit Almelo. Maar Duitsers barbecuen anders dan Engelsen, zegt Carbo. Groot vlees en dikke worsten. De Engelsen willen liever zo snel mogelijk klaar zijn, want het kan elk moment gaan regenen. Daarom zit in de zakken voor de Engelse markt houtskool die snel brandt en snel op is. Duitse houtskool komt moeilijker op gang maar gloeit langer. Nederland zit er tussenin met in de zak een mengsel van snelbrandende brokken van bijvoorbeeld resthout van de klompenindustrie en lang doorgloeiende kolen van resten hardhout.

In de hele wereld wordt houtskool gemaakt zoals het sinds mensenheugenis gedaan wordt. Een berg hout wordt aangestoken en afgedekt met aarde. Het hout brandt slecht en verkoolt. Zo'n smeulende hoop rookt hevig. Het vuur stikt. De berg wordt opengemaakt en de houtskool geoogst. Oudere bewoners van dorpen op en rond de Veluwe zullen nog weten van de vuile lucht van houtskoolbranderijen.

Ze werden verboden. Maar hoe bestaat het, Nederland (Carbo in Almelo) is daarna een grote producent geworden van houtskool en exporteur van moderne houtskoolovens die in Twente zijn bedacht.

Carbo kan het schoon en veel efficiënter dan de ouderwetse koolstokers. Voor een kilo houtskool is bij traditioneel stoken tien of meer kilo hout nodig. De ovens in Almelo maken een kilo kool uit 2,5 kilo hout. En alleen van resthout uit de houtverwerkende industrie, het komt niet meer rechtstreeks uit het bos.

In West-Europa wordt houtskool voor de pret verstookt, buiten op de barbecue en tot verdriet van de buren. In een groot deel van de bewoonde wereld zijn hout en houtskool de enige brandstof om op te koken. De Nederlandse vinding is daar een zegen omdat veel minder hout nodig is voor de productie van houtskool. Carbo bouwde tot nu toe 32 ovens in landen als Zuid-Afrika, Namibië en Ghana. Maar ook in Frankrijk.

Het is een eenvoudig systeem, dat pas acht jaar geleden in gebruik werd genomen. Een dikwandige stalen ketel ter grootte van die van een stoomlocomotief wordt gevuld met afvalhout en afgesloten met een zware stalen deksel. De volle ketel wordt in een ovenhuis gehesen. Onder de ketel wordt de ovenruimte korte tijd verhit met een gasvlam tot ongeveer 300 graden. Het hout in de ketel gaat hierdoor gas produceren. Dat gas kan alleen door een opening onderin de ketel naar buiten en komt in de ovenruimte waar het verbrandt, de hitte in de oven kan nu tot 1.000 graden oplopen. Als het zo ver is werkt het systeem verder zonder brandstof van buitenaf en kan het in principe volcontinu draaien op eigen brandstof uit het hout.

In elke oven kunnen twee ketels met hout gehesen worden. Dat gaat om en om. Het brandende gas uit het hout in de ene ketel verhit ook het hout in de andere. Als het gas in het hout in de ene ketel opgebrand is en alleen houtskool over is wordt de ketel uit de oven getild. De andere is intussen volop gas gaan produceren. Een vers gevulde ketel wordt er naast in de oven gehesen die verhit wordt met het brandende gas uit de andere ketel.

De hitte in de oven is zo groot dat het gas uit het hout schoon op brandt. Alleen hete lucht wordt afgevoerd. Die gaat nu nog verloren, maar de Almelose houtskoolfabriek zou er voor tweeduizend huishoudens stroom mee kunnen produceren. Dat gebeurt ook al met een deel van de houtskool in kolengestookte elektriciteitscentrales. Het is al bijna nuttig, barbecuen.