Hitler was onze schurk

De oorlog is en blijft een groot verhaal, dat nu vooral vitaal blijft als ijkpunt van persoonlijke integriteit. 4 Mei is geen kwestie van `gedenken' of `herdenken', maar van bédenken wat je zelf wilt, kunt en zou doen, betoogt Herman Vuijsje.

De afgelopen eeuw heeft ons, volgens een breed onderschreven opvatting, `de dood van de grote verhalen' gebracht. Alle religieuze en politieke idealen zijn gecompromitteerd of ongeloofwaardig geworden. Onze moraal is daardoor van zijn ankers geslagen en dobbert nu maar wat rond.

Eén verhaal blijft moedig weerstand bieden aan de vergetelheid. Ondanks herhaalde pogingen om daar een eind aan te maken, wordt het nog steeds verteld. Dat komt doordat het geen mooi verhaal is. Voor mooie verhalen zijn we allergisch geworden. Maar dit verhaal gaat over de kracht van het kwaad. Het biedt geen vaste canon, geen zekerheid. Het gaat vooral over twijfel, verleiding en menselijke zwakheid.

Het verhaal over de oorlog kan het werkelijk aanspraak maken op dat epitheton `groot verhaal'? Nee, zo is de afgelopen jaren op verschillende gronden betoogd, de oorlogsherinnering is een verhaal van beperkte betekenis. Beperkt in de tijd. De herinnering is niet krachtig genoeg om ook generaties te inspireren die er niet bij zijn geweest.

Sommige auteurs lijken zich ronduit te ergeren aan de jaarlijkse herdenking. ,,Hitler doet onveranderlijk dienst als ideaaltype van de superschurk'', sputterde de historicus Hermann von der Dunk in 2003. De herdenking was volgens hem ,,versteend tot een seizoensgebonden ritueel als de Matthäus Passion'' en ,,geen bruikbaar kompas meer''. Een paar jaar eerder was Chris van der Heijden al met een soortgelijke opvatting gekomen. De meeste mensen waren in de oorlog niet goed of fout, betoogde hij, maar `grijs'. In dat licht bezien werd ook het moreel kompas dat we graag in de oorlog wilden zien, dof en onwaarachtig.

Maar anno 2005 blijkt de oorlogsherdenking nog onverminderd vitaal, ook onder jongeren. Houden we onszelf dan voor de gek? Nee, het wijst erop dat auteurs als Von der Dunk en Van der Heijden hun kritiek leverden vanuit een tijdgebonden en verouderd perspectief.

Von der Dunks bezwaar tegen het doorgaan met herdenken richtte zich vooral op de neiging om de oorlogsherinnering te gebruiken als ,,analogie om de actualiteit te munten''. De oorlog wordt te hooi en te gras misbruikt om onwelgevallige ontwikkelingen, standpunten en gedragingen in het hier en nu te demoniseren.

Inderdaad is dat op grote schaal gebeurd – in het verleden. In de jaren '70 en '80, toen Nederland zuchtte onder het juk van de politieke correctheid, duurde het bij intellectuele ruzies nooit lang of de nazi-laarzen kwamen weer aanmarcheren. Krakers spraken van `deportatiepraktijken' en noemden politieagenten `mensenjagers'. De oorlogsvloek was het handtasje van menig columnist. Zodra iemand iets probeerde te zeggen over problemen rond immigranten, begon het columnistenvolk er onder leiding van Piet Grijs hysterisch mee in het rond te slaan. Op het laatst luisterde geen mens meer als ze weer eens ,,racist!'' en ,,nazi!'' gilden.

Maar dat is lang geleden. Bij Pim Fortuyn waren er nog maar een paar oude columnisten en politici die het niet konden laten en met Anne Frank en Mussolini op de proppen kwamen. Vandaag de dag is het gooi- en smijtwerk met de oorlogsherinnering zo goed als verstomd. En als iemand de vertrouwde analogie toch weer eens van stal haalt – zoals Geert Mak onlangs deed door de film Submission te vergelijken met de nazi-propagandafilm Der Ewige Jude – valt half schrijvend Nederland over hem heen.

Het oorlogsverhaal is vaak gekenschetst als opvolger van de bijbelse overlevering: met het wegebben van de bijbelse moraal nam de oorlogsherinnering de rol van moreel ijkpunt over. In ieder geval in één opzicht gaat die vergelijking op: beide verhalen hebben in de loop der tijden gediend voor heel verschillende interpretaties en inspiraties. De bijbel vormde ooit een onwrikbare waarheid en een vaste, van buiten opgelegde codex voor gedrag. Later won een meer persoonlijke en `bevindelijke' interpretatie aan betekenis. Voor moderne christenen is de bijbel vooral een inspiratiebron om eigen, individuele afwegingen te maken.

Ook de oorlogsherinnering is geen vast gegeven. Iedere generatie hecht er haar eigen betekenis aan. Vlak na de oorlog geloofden we in de mythe van Nederland verzetsland. Vanaf de jaren '60 diende de oorlog vooral als kapstok om te waarschuwen tegen ,,herlevend racisme en fascisme''. Dat was ook de tijd waarin het denken in `goed' en `fout' hoogtij vierde. Maar dat die strakke indeling nu wordt genuanceerd en meer ruimte laat voor grijstinten, wil niet zeggen dat het verhaal zijn waarde verliest. Het betekent alleen dat ook hier ruimte ontstaat voor een meer persoonlijke appreciatie.

De oorlog is en blijft een groot verhaal, dat nu vooral vitaal blijft als ijkpunt van persoonlijke integriteit. Hoe konden mensen, gewone mensen, zulke verschrikkelijke dingen doen? ,,Nog steeds houdt de stroom van oorlogspublicaties niet op'', verzuchtte Von der Dunk bijna verontwaardigd. Sterker: ze worden ook gekocht en gelezen. Het kwaad begrijpen dát is de reden van die boekenstroom. Kan mij dat ook overkomen? Waar moet ik dan op letten? 4Mei is geen kwestie van `gedenken' of `herdenken', maar van bédenken! Wat je zelf wilt, kunt en zou doen.

Het inzicht dat de meeste Nederlanders in de oorlog niet wit of zwart maar grijs waren, maakt die vraag alleen maar nijpender. Juist in die grijze verleiding schuilt immers het gevaar. Grijs is een kleur voor analyse, voor begrip achteraf – desnoods niet alleen begrip ván, maar ook begrip vóór degenen die voor de grijze verleiding bezweken.

Maar het is niet de kleur die je zelf zou willen aannemen als het erop aan komt. De `grijze' meerderheid was een feit en vormt een uitnodiging tot onderzoek, maar niet een reden om te stoppen met het bewonderen van degenen die `wit' waren en het verafschuwen van de `zwarten'. Harry Mulisch heeft het in deze krant eens mooi uitgedrukt: ,,Je had helden die echt goed waren en klootzakken die totaal fout waren. Daar tussenin zat van alles natuurlijk, maar je hád ze wel.''

Ed van Thijn zei in een documentaire over onderduikkinderen dat hij zijn onderduikouders niet alleen dankbaar was dat ze zijn leven hadden gered, maar ook dat ze behoorden tot een gepassioneerde minderheid die een voorbeeld gaf van kracht. Iets waaraan hij troost ontleende, en het inzicht dat het leven ondanks alles de moeite waard was.

Dat was lang geleden. Hitler is dood – nu hebben we Osama. Is dat een reden om de aan de oorlog ontleende dilemma's verder maar te laten voor wat ze zijn? De blijvende aandacht voor de oorlog duidt daar niet op. De oorlogsherinnering confronteert ons met vragen van burgerschap, moed en eigen verantwoordelijkheid. En die vragen zijn onverminderd actueel. Ook nu wordt burgermoed gevraagd. Bijvoorbeeld van journalisten, boekhandelaars, filmproducenten en schouwburgexploitanten – de moed om niet te zwichten voor tiranniek terrorisme.

De oorlogsherinnering vormt daarbij een krachtige inspiratiebron. Niet alleen omdat zij ons confronteert met morele dilemma's in hun meest extreme vorm. Ook om een andere reden: de oorlogsdilemma's kregen vorm tegen een achtergrond die niet, zoals Von der Dunk en Van der Heijden meenden, achterhaald is, maar die je juist `modern' zou kunnen noemen. Verzetsstrijders zetten hun leven niet op het spel in dienst van een groot verhaal over de ideale samenleving. Wat hen verenigde was het verlangen de tirannie te verdrijven. Hoe de herwonnen vrijheid moest worden ingevuld, was een zaak van later zorg.

In de jaren '60, toen de grote verhalen hun laatste opleving kenden, was er voor dat inzicht nog geen plaats. Ik herinner me dat ik zelf behoorlijk in verwarring raakte toen ik begreep dat de Amsterdamse burgemeester Van Hall en zijn broer Walraven verzetshelden waren geweest. Hoe kon dat? Dat waren toch bankiers en regenten – hoe konden die voor een goede samenleving strijden? Pas later begreep ik het: verzetshelden waren in de eerste plaats verenigd tegen het kwaad.

Ik noem dat `modern', omdat dit inzicht past in een morele oriëntatie die niet meer gebaseerd is op hapklare idealen maar op individuele en autonome afwegingen. Vrijheid, blijheid – tot een bepaalde grens. Moraal wordt steeds meer een kwestie van het definiëren van die ondergrens: waar begint het kwaad? Na de dood van de grote verhalen kunnen we onze ethische maatlat niet langer bij `het goede' leggen, omdat we dat niet meer kunnen definiëren. Pogingen om het goede te omschrijven zijn vrijblijvend, vaag en nauwelijks te operationaliseren. Willen we niet verzanden in de `banaliteit van het goede', dan moeten we ons niet op de deugden richten, maar op de ondeugden. Het kwaad laat zich altijd omschrijven, ook als het zicht op idealen is vervaagd.

Ondeugden zijn ook die dingen waarover alle mensen het eens kunnen zijn. Dat bleek in de oorlog en het geldt ook in een land met een cultureel gemengde bevolking. Waardenstelsels verdelen – opvattingen over wat ongewenst is verenigen. Doordat de `civiele religie' die de oorlog ons heeft nagelaten vooral betrekking heeft op verzet tegen het kwaad, kan zij ook `nationaal' zijn. Het verhaal van de Tachtigjarige Oorlog was vooral van de protestanten, dat van Jezus alleen van de christenen, maar

de Tweede Wereldoorlog is van ons

allemaal. Daardoor is en blijft de herdenking ons enige nationale morele ritueel.

Dat met de oorlog vooral een gevecht tegen het kwaad wordt herdacht, schept ook ruimte voor `eenheid in verscheidenheid'. Ook daarin toont de oorlogsherdenking overeenkomst met moderne godsdienstige rituelen. Levensvatbare rituelen in onze tijd hebben een `casco'-karakter. Zij bieden een algemeen kader dat ieder naar eigen voorkeur kan invullen. We laten ons door niemand meer vertellen hoe het moet. We moeten het zelf uitmaken, maar zoeken toch ook naar iets van gezamenlijkheid op de achtergrond – iets dat niet opdringerig is en beknelt, maar steun geeft. Dat gebeurt op de Dodenherdenking. Mensen uit alle levensbeschouwelijke hoeken zijn dan bijeen. Zij maken verder geen deel uit van een of andere club en delen geen vaste, voorgeschreven waarheid, maar vinden elkaar toch in een gezamenlijke plechtigheid.

De oorlogsherinnering is ook verschoond gebleven van de in Nederland populaire gewoonte om gegeven waarheden te ironiseren. Zij biedt ons voorbeelden en helden in een cultuur van nivellering, ironie en scepticisme. De oorlog is ernst – en was dat ook, ja júíst, voor de kritische jongelui van de jaren '60. Ook in dat opzicht, tussen de generaties, verschaft het oorlogsverhaal eenheid en continuïteit. Alleen randverschijnselen als het dweperige `verzet' na de oorlog – de mannen met hun opgepoetste stenguns en helmen die je vroeger bij herdenkingen zag – riepen ironie op. Niet het helpen aan joden. Dat is en blijft de gouden standaard, het moreel NAP, nu de oude peilschalen er verroest bij staan.

Door zijn ernstige en onaantastbare karakter is het oorlogsverhaal ook een van de weinige verhalen die ons nog aan het denken kunnen zetten over begrippen als verantwoordelijkheid en schuld. De morele leegte waarover nu vaak wordt geklaagd, houdt verband met het proces van `vermaatschappelijking van schuld' dat in de jaren '60 in een stroomversnelling raakte en sindsdien flink is doorgeslagen. De overheid nam steeds meer gevolgen van ongewenst gedrag voor haar rekening, terwijl de idee van persoonlijke morele aansprakelijkheid afbrokkelde tot de gedachte `Even Apeldoorn bellen'. Op de oorlogsherinnering heeft die gedachtegang geen vat. Zij blijft ons confronteren met een levensgrote schuldvraag: hoe konden wij op zo grote schaal genocide gedogen?

Je kan twisten over de vraag of de oorlog erger was dan de misdaden van Stalin, Mao of andere schurken. Waarom werd dan Hitler onze metafoor van het kwaad? Om dezelfde reden waarom het niet Djengisj Khan is, of Vlad de Spietser. Hitler was voor ons ingrijpender, want hij was nabij. Onze ouders en grootouders waren het die vermoord werden of erbij stonden.

Hitler was ónze schurk. Juist in de eeuw waarin ons perspectief op `het goede' vertroebeld raakte, is hij komen opdraven om ons dan in ieder geval aan het kwaad te herinneren. Daarom moeten we zijn nagedachtenis blijven stalken, onder het motto `Zunne slechte hebben wij nog niet gehad'. Bij alle gepraat over wegebbende waarden is dit het beste wat we in huis hebben: een aangeklede evocatie van het kwaad.

Herman Vuijsje is socioloog en publicist.