Geld ging voor Fieleke boven glorie, behalve in Kieldrecht

Als de dag van gisteren herinnert Sjefke Janssen zich de finale van het WK waar voor het eerst een Nederlandse wielrenner wereldkampioen op de weg werd. Reims 1947: de finale was een slijtageslag, vooral door de extreme hitte, een kopgroep van een man of twaalf dunde steeds verder uit. ,,Het was wel 41 graden'', vertelt de nu 85-jarige Janssen, terwijl hij herinneringen ophaalt aan de gisteren overleden Theo Middelkamp (91).

,,Bij het ingaan van de laatste ronde zat ik vooruit, achter me reed een groepje van vier, met Middelkamp, Fachleitner, Magni en Sercu. Fachleitner reed het gat dicht, met Middelkamp achter 'm aan. Toen reed Fachleitner lek en daarna Middelkamp ook. Even later zat-ie toch weer achter ons, op een fiets die hij bij de materiaalpost van de mecanicien van de afgestapte Sterkx had gejat. Hij demarreerde en ik deed afstopwerk'', zegt Janssen, die derde werd. ,,Ik kwam d'r weer terug bij, ging d'r over en 't was gedaan: ik was wereldkampioen'', zei Middelkamp zelf in 1998 in deze krant, vlak voor het WK in Valkenburg.

,,Als hij z'n dag had, was hij niet te verslaan'', zegt Limburger Janssen, die dat jaar Nederlands kampioen was geworden voor Gerrit Schulte en Middelkamp.

Middelkamp, die in het Zeeuws-Vlaamse Nieuw-Namen werd geboren en twee kilometer verderop opgroeide in Kieldrecht, net over de Belgische grens, was niet alleen de eerste Nederlandse wereldkampioen. Zonder dat hij ooit een berg had gezien – het hoogste punt dat hij kende was een kerktoren – won hij in 1936 als eerste Nederlander een etappe in de Tour de France, van Aix-les-Bains naar Grenoble. Op 14 juli, de Franse nationale feestdag, danste hij over de Lautaret, de Télégraphe en de Galibier. Twee jaar later zou hij nog een etappe in de Tour winnen, in Pau.

Het waren niet zozeer zijn capaciteiten als klimmer, maar zijn vaardigheden als daler die hij zelf roemde. Op grindwegen nog wel, waar vaak ook brokken stenen tot de hindernissen behoorden. ,,Godverdoeme, ik kon rap dalen jongen. Ik denk dat er niet beter konden sturen als ik'', zei hij in 1994 tegen Jeroen Wielaert (Bravo, les Hollandais!, 1997). Het was voor het eerst in lange tijd dat Middelkamp weer een journalist te woord stond. Zijn afkeer van de pers vond zijn oorsprong in de jaren vijftig. En dan was er zijn eeuwige woede over het feit dat de Nederlandse overheid hem nooit een pensioentje had gegeven.

Middelkamp werd gesterkt in zijn gevoel van miskenning toen hij voor het WK in '98 door de Nederlandse wielerunie (KNWU) alleen werd uitgenodigd voor wedstrijden van de beginnelingen en de vrouwen. In deze krant toonde hij zich daarover als `d'n eersten wereldkampioen in Olland' gekwetst. `Juffrouwke, bedank de heren van de Nederlandse wielrenunie en zeg dat ze allemaal mijn kloten kunnen kussen!', zei hij tegen een `mokkel' van de KNWU. Toch kwam hij zich steeds vaker in Nederland, en genoot hij van de verlate verering die hem ten deel viel. ,,Deze oermens was een absoluut fenomeen'', zegt Wielaert nu.

Middelkamp was een man van pittige uitspraken, verpakt in (Zeeuws-)Vlaams dialect. Hij maakte er ook nooit een geheim van dat hij meer wedstrijden had `verkocht' dan gewonnen. Het ging hem meestal niet om de overwinning, maar om het geld dat er te verdienen viel. Slechts drie keer startte hij in de Tour. Kermiskoersen, de spreekwoordelijke rondjes rond de kerk, leverden immers meer geld op. Hij mocht graag zijn vrouw citeren: ,,Van eer en roem kunde geen boodschappen doen'', zei hij tegen journalist Peter Ouwerkerk (Parijs is nog ver, 2003). De criteriums in zijn woonplaats Kieldrecht waren voor `de koning van de kermiskoersen' van onschatbare waarde en dus niet te koop. Die reed en won hij zeven keer. ,,Ik heb de meeste koersen verkocht, maar in mijn dorp moest ik winnen.'' Een mooie herinnering bewaarde hij aan z'n eerste (officieuze) wedstrijd in het nabijgelegen Meerdonk, opgetekend in het Algemeen Dagblad (2003). Voor de grap reed hij met een damesfiets achter de renners aan. Die gingen steeds harder rijden, maar ze kregen de 17-jarige Middelkamp er niet af. Bij de finish zei een toeschouwer, `Menneke, gij hebt talent, gij moet gaan koersen'.'' Een paar jaar later, in 1934, begon hij bij de Onafhankelijken, in '51 reed hij z'n laatste koers.

Door de oorlog gingen voor Middelkamp mooie wielerjaren verloren, al werd hij in 1943 en 1945, net als in '34 en '38, Nederlands kampioen op de weg. Met de smokkel van boter en graan verdiende hij veel geld, tot hij werd opgepakt en in de cel verdween.

Het was een genot naar `Fiel' te luisteren, bij voorkeur in zijn woning in Kieldrecht, waar hij na z'n actieve carrière een café had. Als je binnenstapte in zijn bungalowtje, ging je terug in de tijd. Alles was sober en netjes, net als Middelkamp, die in Zeeland een naar hem genoemde wielerclub nalaat.

Het is lang geleden dat de Limburger Janssen en de Zeeuw elkaar nog troffen. ,,Ik was in Sas van Gent en dacht, ik ga Fieleke eens opzoeken. Z'n vrouw (in 1961 overleden, red.) zei, `zie je die man ver in het veld?' Daar stond ie, met een net, vogeltjes vangen. Om ze op te eten. `Buk even, d'r komt een troepje aan', zei hij dan.''

Vorig jaar belde een vriend van Middelkamp naar Janssen, om te zeggen dat de oude kampioen graag nog eens langs wilde komen in het Limburgse Elsloo. Het is er niet meer van gekomen.