Euforie over wijziging van ontslagrecht te snel

In het artikel van Elsje Jorritsma in NRC Handelsblad van 23 april wordt ingegaan op het SER-advies over de WW. Uitvoering daarvan zou eindelijk leiden tot de afschaffing van ,,de grootste leugen in het arbeidsrecht'': de onzinnige pro-forma ontbindingsprocedures. Helaas dreigt de euforie over de versoepeling van het ontslagrecht, dat daarvan een gevolg zal zijn, ongedaan te worden gemaakt door het kabinet.

Vanuit de arbeidsrechtpraktijk kan alleen maar worden onderschreven dat afschaffing van de pro-forma ontbindingsprocedures de rechterlijke macht aanzienlijk zal ontlasten. Ook zal het leiden tot een aanzienlijke verlaging van de ontslagkosten voor werkgevers. Hetzelfde geldt voor de uitvoeringskosten van CWI en UWV. De SER heeft in dat kader het kabinet geadviseerd de verwijtbaarheidstoets vrijwel geheel te beperken tot een controle van gevallen van ontslagname door de werknemer zelf, of van een ontslag op staande voet.

Uit een reactie van het kabinet blijkt dat het de SER niet volgt in zijn duidelijke keuze voor de afschaffing van de huidige verwijtbaarheidtoets voorafgaande aan de verstrekking van een WW-uitkering. Het kabinet dreigt een middenweg te gaan bewandelen tussen het SER-advies en de huidige situatie. Het stelt in zijn reactie dat de WW-uitkering ook kan worden geweigerd ,,als ontslag het gevolg is van voorzienbaar verwijtbaar gedrag jegens de werkgever''. Het UWV moet dit blijven toetsen. Met een toets van een weinig concreet `voorzienbaarheidscriterium' dreigt dat alles bij het oude zal blijven. Om iedere twijfel weg te nemen, zullen de werknemers ,,het zekere voor het onzekere'' nemen en een toevlucht blijven nemen tot pro-forma ontbindingsprocedures.

Kortom, wil het oogmerk van terugdringing van de pro-forma ontbindingsprocedures slagen, dan kan het kabinet beter het SER-advies volledig volgen en de toets op verwijtbaarheid uitdrukkelijk beperken tot gevallen waarin de werknemer zelf ontslag neemt of op staande voet is ontslagen.