Brussel dwingt tot lagere belastingen

De recente verlaging van de vennootschapsbelasting laat zien dat Nederland zich in de tarievenslag moet voegen naar het Europese model, meent Leo Stevens.

Nu de Europese Unie steeds groter wordt, heeft het internationale bedrijfsleven veel mogelijkheden zijn activiteiten te verleggen naar lidstaten met een uitdagend lage vennootschapsbelasting. Europa voert immers de vrijheid van kapitaalverkeer hoog in het vaandel. De lidstaten realiseren zich dat terdege en zijn begonnen aan een tarievenslag. Ierland begon, in 2003, met een verlaging naar 12,5 procent. De nieuwkomers in de EU zijn toegetreden met tarieven die ver onder het EU-gemiddelde liggen.

Nederland heeft hier, als kleine open economie met veel multinationale ondernemingen, veel te verliezen. Joop Wijn, staatssecretaris van Financiën, voelde de hete adem van de multinationals in zijn nek. Zij dreigen hun winstgevende activiteiten naar de `fiscaalvriendelijke' lidstaten te verleggen, als Nederland niet met een substantiële verlaging van de belastingdruk over de brug zou komen.

In zijn vorige week gepubliceerde nota Werken aan winst heeft Wijn eieren voor zijn geld gekozen. Hij heeft het tarief per 2007 verlaagd tot 26,9 procent, in de hoop daarmee het internationale bedrijfsleven voor Nederland te behouden. Dat past in zijn streven de fiscale concurrentiepositie te verbeteren. De afschaffing van de kapitaalsbelasting is in dat verband een goed signaal.

Maar als de multinationals minder bijdragen aan de schatkist, gaan óf de collectieve voorzieningen op een lager pitje óf krijgen de burgers hogere lasten. Dat is een pijnlijk proces. De afbrokkelende mogelijkheid om kapitaal te belasten leidt tot hogere arbeidskosten. Het versterkt bovendien de afwenteling van vergrijzingskosten in de loonkosten. Dat maakt het nog belangrijker, en moeilijker, om meer mensen aan het werk te krijgen.

Wijn had al een stapsgewijze verlaging van de vennootschapsbelasting in gang gezet. Per 2005 is het tarief verlaagd van 34,5 procent tot 31,5 procent. Volgend jaar wordt dit 30,5 procent.

Het tarief van de vennootschapsbelasting is de meest opzichtige component van de effectieve belastingdruk. Daarom wil Wijn voor 2007 een verdergaande stap zetten en het tarief verlagen tot 26,9 procent. Voor de winst tot 41.000 euro wordt dat 20 procent. Hij speculeert daarmee op het optische effect. Maar juist die opzichtigheid lokt tegenreacties uit van ons omringende landen. Voormalig minister van Financiën Ruding waarschuwde in 1992 als adviseur van de Europese Commissie al tegen ,,schadelijke belastingconcurrentie''.

Het kabinet-Balkenende ziet dat gevaar ook wel, en blijft streven naar harmonisatie van de heffingsgrondslag en minimumtarieven in Europees verband. Maar tegelijkertijd constateert het dat er weinig bereidheid bestaat om ook de tarieven in de harmonisatiediscussie te betrekken, en Nederland kan zich niet veroorloven te wachten tot die bereidheid er wel is.

De tariefaanpassing in de vennootschapsbelasting mag niet los worden gezien van de inkomstenbelasting. Daar is het toptarief 52 procent. Tussen de inkomsten- en vennootschapsbelasting moet een globaal evenwicht bestaan, anders ontstaat een vlucht in de BV. Voor het evenwicht zou het toptarief van de inkomstenbelasting moeten worden verlaagd tot 45 procent, dan wel het aanmerkelijkbelangtarief voor familievennootschappen worden verhoogd tot circa 35 procent. Beide opties zijn onaantrekkelijk. Verlaging van het toptarief is een gevoelige aderlating voor de schatkist, en bij verhoging van het aanmerkelijkbelangtarief zouden familiebedrijven niet meeprofiteren van de belastingvermindering die het internationale bedrijfsleven opstrijkt.

Aanvankelijk tilde het kabinet niet zo zwaar aan dit globale evenwicht. De tariefsverlaging van de vennootschapsbelasting werd gedekt door vergroeningsheffingen en de afschaffing van het grijze kenteken. Daardoor verschoof de belastingdruk naar het binnenlands opererende bedrijfsleven. Maar Wijn heeft leergeld betaald. Nu is de belangrijkste dekkingsmaatregel de beperking van de afschrijving in het vastgoedsfeer. Dat dekt 1,7 miljard van de tariefmaatregel die 2,1 miljard kost. Dat is een begrijpelijk en verdedigbaar standpunt, omdat het weinig reëel is af te schrijven waar economisch geen waardedaling optreedt. Het bedrijfsleven krijgt daarmee wel een sigaar uit eigen doos. Het MKB is beter af. Het krijgt trouwens een fiscale aai over de bol door 5 procent van de winst voor de inkomstenbelasting vrij te stellen. Het toptarief daalt daardoor tot 49,4 procent.

Per saldo is de nota Werken aan winst niet de fundamentele herziening van de vennootschapsbelasting geworden die mocht worden verwacht. Het is in feite een budgetneutrale herhaling van de commissie-Van Rooy, die in 2001 een tariefverlaging (toen naar 30 procent) in combinatie met grondslagverbreding bepleitte. Dat is een gemiste kans.

In de vennootschapsbelasting zit een aantal systematische onevenwichtigheden die op nationaal niveau nog acceptabel zijn, maar die in een Europees perspectief niet kunnen blijven voortbestaan. Een voorbeeld is de ongelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen, nu een lappendeken van bepalingen die samen een hopeloos ingewikkelde wet vormen.

Het belang van de nota is vooral gelegen in de prettig en toegankelijk geschreven beleidsverkenning en in de toelichting op de afgewezen alternatieven. Er komt geen vermogensaftrek om de belasting op het eigen vermogen te verminderen. Ook komt er geen `pretbox' voor rente- en royalty-opbrengsten en research-activiteiten. De voor Nederland zeer belangrijke deelnemingsvrijstelling wordt gestroomlijnd en de verliesverrekening wordt beperkt. Dit zijn technisch complexe, maar politiek zeer belangwekkende keuzen, waarover het laatste woord bepaald nog niet gesproken zal zijn.

De staatssecretaris heeft voorts aangekondigd dat de wet EU-proof wordt gemaakt. Op dat terrein valt inderdaad nog heel wat werk te verzetten, want het Europese Hof breekt de nationale heffingsstelsels op grond van de verdragsvrijheden zonodig onverbiddelijk open. Nederland heeft recent reeds moeten ervaren dat de budgettaire gevolgen daarvan ingrijpend kunnen zijn. De staatssecretaris wenst proactief beleid.

Wat de nota vooral duidelijk maakt, is dat de nationale beleidsmarges in de vennootschapsbelasting zeer smal geworden zijn. We kunnen in Den Haag slechts stoere taal spreken in de tarievenslag en zullen ons verder moeten voegen naar het Europese model.

Leo Stevens is hoogleraar Fiscale Economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.