Werkvolk snápt dat je wel een bakkie lust

Gisteren was het de Dag van de Arbeid en een eeuw geleden werd de eerste vakbond opgericht, de voorloper van de FNV. Drie bouwvakkers en twee monteurs aan het woord.

Als je ze ernaar vráágt, zeggen ze: nee, er wordt niet op ons neergekeken, en we voelen ons niet minder dan een ander. Ja, hun vaders en hun grootvaders — díe namen nog hun pet af en zeiden goed meneer en ja meneer. Maar dat was vroeger.

Maar als je lúistert – honderd jaar na de oprichting van de eerste vakbond en rond de Dag van de Arbeid gisteren – hoor je wat anders. Bert van der Veen (54) en Jan Ensing (52) zitten hun krentenbollen en boterhammen met kaas te eten in het schaftlokaal van bouwbedrijf De Waal in Amsterdam-Noord. Ze zijn tegelzetter en metselaar/stukadoor. Muurvarkens volgens hun werkleider — ,,zeg maar werklijder'' — omdat ze altijd onder de specie zitten. Ze praten over de koffie die ze tegenwoordig nergens meer krijgen, nou ja, bíjna nergens, alleen nog bij mensen zoals zij. ,,Het gewone werkvolk'', zegt Bert van der Veen. ,,Dat zijn mensen, die snáppen dat je wel een bakkie lust als je twee uur hebt staan voegen'', zegt Jan Ensing.

,,Het gewone werkvolk'', zegt Bert van der Veen, ,,dat zijn mensen waarvan de vrouw nog gewoon thuis is. Die hebben tijd om een bakkie koffie voor je te zetten.'' ,,De rest'', zegt Jan Ensing, ,,denkt alleen maar aan zichzelf.''

Ze hebben een auto en een eigen huis ,,Ken je Soestdijk? Nou, aan het begin van de oprijlaan, en dan een eindje daar vandaan, daar woon ik.'' Ze zijn naar school geweest, al konden ze niet zelf kiezen wélke school. Maar hun kinderen kunnen dat wel. De jongste van Bert van der Veen studeert archeologie, aan de universiteit.

De idealen van welvaart en ontplooiing, waar de eerste vakbond honderd jaar geleden mee werd opgericht, zijn bereikt. Arbeiders en ambachtslieden zijn nu werknemers met een cao en een pensioen. Of ze zijn voor zichzelf begonnen. En niemand heeft het nog over klassenstrijd.

Maar praat met een paar van hen over hun werk, en ze beginnen over de hoge heren, of over de grote mannen, zoals Bertus Kasbergen (57) ze noemt, ,,de grote mannen in Duitsland''.

Hij bedoelt de bazen van motorenfabriek Deutz, waar hij eerste monteur was bij de scheepsmotoren, in de Rotterdamse haven. Die grote mannen hebben de scheepsmotoren net verkocht aan Wärtsila, en nu zit Bertus Kasbergen in een leeg kantoor. Hij is boventallig.

Hij klaagt niet. Hij zegt alleen dat hij anderhalf jaar geleden nog gevraagd was om de technische ondersteuning te gaan geven op de werven waar de motoren van Deutz worden ingebouwd. ,,Mooi werk. Het was van korte duur.'' De verkoop van de afdeling scheepsmotoren had volgens hem voorkomen kunnen worden als Deutz de markt niet had verwaarloosd. Maar wie is hij?

Bertus Kasbergen leeft, zoals hij zegt, naar bijbelse normen. Dus onderwerpt hij zich, Romeinen 13 indachtig, aan het gezag dat over hem gesteld is. ,,Maar dat wil niet zeggen dat ik er geen emoties over heb. Je bent een mens. En een mens is geneigd tot alle kwaad.'' Hij mág geen wrok voelen, zegt hij. Hij moet berusten.

De oudste zoon van Bertus Kasbergen, Arjo Kasbergen (30), ging met de afdeling scheepsmotoren van Deutz mee naar Wärtsila, en daar is hij eerste monteur, net als zijn vader tot voor kort, en al leeft ook hij naar bijbelse normen, zijn tóón is anders.

Hij zegt bijvoorbeeld dat hij respect heeft voor een goede timmerman, maar voor mensen die op kantoor zitten, daar heeft hij eerder een beetje medelijden mee. ,,Het is niet denigrerend bedoeld hoor'', zegt hij. ,,Ik voel ook wel dat zij denken: die is gek, die heeft olie in zijn haar. Ik denk: die zitten de hele dag op kantoor en ik kom overal. Als je mij op kantoor zet, kun je gelijk wel zes plankjes bestellen.''

Nog liever was hij boswachter geweest. ,,Ik hou van alles wat rondvliegt.'' Hij begon pas interesse voor leren te krijgen toen hij via het leerlingwezen tweede monteur was geworden. Hij volgde in de avonduren vele cursussen en nu is hij, zegt zijn vader, iemand met overzicht, iemand die de ene storing in verband kan brengen met de andere. ,,Daarom hebben ze hem meegenomen naar Wärtsila.''

Mooi werk, maar je zult ze niet horen zeggen dat ze er trots op zijn. Dat moet wel door hun geloof komen. Trots komt dicht bij hoogmoed. ,,Gód komt alle eer toe'', zegt Bertus Kasbergen. ,,Mensen zijn vol fouten en gebreken.''

Voor Sukru Basaran (48) lijkt het minder lastig om zich trots te voelen. Of beter: om zich de trots van Bert van der Veen en Jan Ensing én van de werkleider te laten aanleunen. Sukru Basaran, timmerman, komt het schaftlokaal van Bouwbedrijf De Waal binnenlopen als de anderen hun boterhammen al op hebben. Hij gaat zitten en steekt een sigaret op.

,,Sukru'', zegt de werkleider, ,,kan alles.'' Sukru Basaran kwam vijftien jaar geleden om werk vragen, hij was toen nog illegaal in Nederland. De werkleider had er geen zin in, hij had slechte ervaringen met ,,collega-Turken''. Maar vooruit, veertien dagen proberen. Hij gaf hem mee met een andere timmerman. Die begon te kankeren: wat moet ik met die klootzak. Ze gingen een kast maken, in een oud en scheef huis, niet één plank kon recht gezaagd worden.

,,Sukru keek'', zegt de werkleider, ,,hij begon te zagen, legde de plank erin, en hij paste precies.'' Sukru Basaran lacht. ,,Na drie dagen bij jullie kreeg ik al een contract. Toen was ik gelukkig.''